AML- en KYC-onderzoeken: van klantacceptatie naar doorlopende waakzaamheid

Introductie

Waar eerdere artikelen in deze reeks vooral zagen op onderzoeken naar incidenten, meldingen of specifieke transacties, ligt bij AML- en KYC-onderzoeken de nadruk op de voorkant van de relatie. Het doel is niet primair om achteraf vast te stellen wat er is misgegaan, maar om vooraf en tijdens de relatie te beoordelen met wie zaken worden gedaan, welk risico daarbij hoort en of dienstverlening kan worden misbruikt voor witwassen, terrorismefinanciering of sanctie-omzeiling. In een wereld waarin gewapende conflicten en geopolitieke spanningen directe doorwerking hebben op handelsstromen, betaalverkeer en eigendomsstructuren, is dat relevanter dan ooit. 

Dat maakt AML- en KYC-onderzoeken wezenlijk anders dan veel andere compliance-onderzoeken. Ze zijn niet eenmalig, maar doorlopend van aard. Het cliëntenonderzoek begint bij onboarding, maar houdt daar niet op. De relatie, de transacties en het risicoprofiel moeten gedurende de hele klantcyclus worden gevolgd en, waar nodig, opnieuw worden beoordeeld.  

Waarom AML- en KYC-onderzoeken meer zijn dan onboarding

In de praktijk wordt KYC nog vaak gezien als een verplicht onderdeel van de klantacceptatie: identiteitsdocument opvragen, UBO vaststellen, sanctielijsten controleren en vervolgens het dossier sluiten. Die benadering doet geen recht aan de systematiek van de Wwft. De wet verlangt van Wwft-plichtige instellingen een risico gebaseerde aanpak, waarbij niet alleen wordt gekeken wie de klant is, maar ook naar het doel van de relatie, de aard van de dienstverlening, de herkomst van middelen en het verwachte transactieprofiel. 

Daarmee verschuift de kern van het onderzoek. De vraag is niet alleen: “Wie is deze klant?”, maar vooral: “Past deze klant, met deze structuur, activiteiten en geldstromen, binnen het integriteits- en risicokader van de instelling?”. Dat vraagt om analyse, duiding en periodieke herijking, niet alleen om documentverzameling. 

De basis: Wwft, CDD en KYC

AML is het bredere anti-witwaskader, KYC is daarbinnen het proces van “ken uw klant”, en CDD, customer due diligence, is het cliëntenonderzoek waarmee dat in de praktijk wordt ingevuld. In Nederland is dit juridisch verankerd in de Nederlandse anti-witwaswetgeving. Die verplicht Wwft-plichtige ondernemingen onder meer om cliënten te identificeren en verifiëren, uiteindelijk belanghebbenden vast te stellen, het doel en de beoogde aard van de relatie te begrijpen, transacties te monitoren en ongebruikelijke transacties te melden. 

Op papier klinkt dat overzichtelijk. In de praktijk begint het echte onderzoek vaak pas wanneer de structuur achter de klant complexer blijkt dan op het eerste gezicht zichtbaar is. Achter een vennootschap kunnen buitenlandse holdings, stichtingen, nominee-constructies, trusts of UBO’s schuilgaan die slechts indirect zichtbaar zijn. Juist in dat soort dossiers wordt duidelijk dat AML/KYC niet alleen een administratief proces is, maar ook een onderzoeksmatige discipline. 

KYC ook buiten de Wwft: de verlegde compliance-druk van banken

Het belang van KYC wordt niet altijd volledig herkend door niet-Wwft-plichtige ondernemingen. In internationale handel leeft soms nog een ander beeld. KYC wordt daar vaak gezien als een onderwerp voor banken en betaaldienstverleners. Ook andere gereguleerde instellingen worden ermee geassocieerd. Formeel klopt dat onderscheid. In de praktijk werkt het inmiddels anders. Banken leggen een deel van hun compliance-druk neer bij klanten. Dat doen zij omdat zij worden afgerekend op portefeuillerisico’s.

Daardoor krijgen ook niet-gereguleerde ondernemingen steeds vaker aanvullende vragen. Die vragen gaan bijvoorbeeld over klantenbestanden en handelsstromen. Ook UBO-structuren en herkomst van gelden komen aan bod. Betrokken landen en interne beheersing spelen eveneens een rol. Vooral internationaal opererende handelsbedrijven krijgen hiermee te maken. Dat geldt ook voor import-exportstructuren en complexe supply chains. Banken kunnen aanvullende informatie verlangen. Soms verwachten zij een basaal compliance- of KYC-framework.

Vaak wordt dat belang pas gevoeld wanneer de bank vragen stelt. Dan blijkt de bestaande informatievoorziening onvoldoende. KYC verschuift dan van een abstract compliance-onderwerp naar een operationele kwestie. De bank kan aanvullende eisen stellen. Ook kan zij aandringen op implementatie van een compliance-framework. Daarnaast kunnen transacties scherper worden gemonitord. In het uiterste geval komt de klantrelatie onder druk te staan. Denk aan de-risking of offboarding. Juist daarom is vroegtijdige voorbereiding verstandig. Niet-Wwft-plichtige ondernemingen doen er goed aan vooruit te denken. Zij moeten nadenken over klant- en handelsrisico’s. Ook beoordeling en documentatie van counterparties zijn belangrijk.

Bronnenkeuze: data providers versus lokale registers

Een belangrijk, maar vaak onderbelicht onderdeel van AML- en KYC-onderzoeken is de vraag uit welke bron klantinformatie afkomstig is. In de praktijk wordt veel gewerkt met internationale commerciële databronnen, zoals Dun & Bradstreet of Bureau van Dijk/Moody’s, omdat zij snel, schaalbaar en gebruiksvriendelijk informatie ontsluiten over ondernemingen, aandeelhoudersstructuren en groepsrelaties. Zeker in internationale dossiers zijn dat waardevolle hulpmiddelen, omdat zij data uit veel jurisdicties op één plek samenbrengen.

Tegelijkertijd zit daar een belangrijk aandachtspunt. Zulke databronnen zijn in veel gevallen afgeleid van onderliggende primaire bronnen, zoals lokale handelsregisters, publicatieregisters of andere officiële registraties. Dat betekent dat er vertraging kan zitten tussen een wijziging in het lokale register en de verwerking daarvan in een commerciële database. Juist bij wijzigingen in bestuur, aandeelhouderschap, statutaire zetel of uiteindelijk belanghebbenden kan dat verschil relevant zijn.

Voor instellingen met een hogere risk appetite, of in laag-risico en grootschalige klantacceptatieprocessen, waarin veel nieuwe klanten worden on-board, kan het werken met een data provider een verdedigbare keuze zijn, zeker als snelheid, schaalbaarheid en operationele uitvoerbaarheid zwaar wegen. Maar naarmate het risico toeneemt, ligt het meer voor de hand om terug te gaan naar de primaire bron: het lokale handelsregister of een ander officieel register in de betreffende jurisdictie. Daar zit vaak de meest actuele en juridisch meest directe informatie, ook al is die minder gebruiksvriendelijk ontsloten.

De kernvraag is dus niet of data providers “goed” of “slecht” zijn, maar of de gekozen bron past bij het risicoprofiel van de klant en de risk appetite van de instelling. In low-risk processen kan een betrouwbare data provider proportioneel zijn. In complexe, internationale of high-risk dossiers is het vaak verstandig – en soms noodzakelijk – om gegevens uit commerciële bronnen te verifiëren aan de hand van lokale registers of andere primaire documentatie.

 

Van identificatie naar risicobeoordeling

Een goed AML- of KYC-onderzoek bestaat niet uit één handeling, maar uit een opeenvolging van stappen. Eerst wordt de klant geïdentificeerd en geverifieerd. Daarna wordt gekeken wie namens de klant optreedt, wie de uiteindelijk belanghebbenden zijn, of er sprake is van PEP’s, sanctierisico’s of verhoogde geografische risico’s, en wat het verwachte gebruik van de dienstverlening zal zijn. 

Dat mondt uit in een risico-inschatting. Niet elke klant vraagt hetzelfde niveau van onderzoek. Een lokale onderneming met een eenvoudige structuur en voorspelbare activiteiten vraagt iets anders dan een internationaal actieve groep met meerdere lagen, geldstromen via verschillende landen en nauwe contacten met hoog-risicojurisdicties. Juist daarom werkt AML/KYC risico gebaseerd: hoe hoger het risico, hoe dieper het onderzoek en hoe zwaarder de motivering moet zijn. 

In de praktijk stopt de vraag van cliënten of interne stakeholders daar vaak niet. Zij willen niet alleen weten of een partij als groen, oranje of rood moet worden gekwalificeerd, maar vooral wat dat vervolgens betekent voor de zakelijke beslissing. Met andere woorden: kunnen of moeten we op basis van deze bevindingen wel of geen zaken doen? Dat is een begrijpelijke vraag, maar geen puur technische exercitie. Een risicokwalificatie is geen automatische go/no-go-knop; zij vormt de basis voor een bredere afweging waarin compliance, business, legal en soms ook het bestuur moeten bepalen of een risico acceptabel is, onder welke voorwaarden, en welke mitigerende maatregelen nodig zijn. 

Juist bij oranje en rode bevindingen ligt daar vaak de echte meerwaarde van een goed KYC-onderzoek. Niet alleen het signaleren van een verhoogd risico, maar ook het helpen duiden van de consequenties. Soms leidt dat tot aanvullende documentatie, een verdiepend onderzoek, strengere monitoring of specifieke contractuele voorwaarden. In andere gevallen is de conclusie dat de relatie niet past binnen de risk appetite van de onderneming of dat de bankrelatie, vergunning(en) of reputatie te veel onder druk komt te staan om verantwoord door te gaan. 

Doorlopende monitoring en transacties

Een van de grootste misverstanden is dat KYC stopt na klantacceptatie. In werkelijkheid begint daar pas de volgende fase. De Wwft verplicht instellingen om zakelijke relaties continu te monitoren. Ook transacties moeten worden getoetst aan het klantprofiel uit de onboarding. Verandert een klant plotseling van handelslanden of transactiestructuur? Dan moet herbeoordeling volgen. Hetzelfde geldt bij opvallende stijgingen in volumes.

Binnen AML- en KYC-onderzoeken krijgt sanctiescreening steeds meer aandacht. Gewapende conflicten en geopolitieke spanningen spelen daarbij een belangrijke rol. Sanctieregimes veranderen sneller dan voorheen. Ook worden sanctielijsten vaker aangepast. Daarnaast groeit de aandacht voor omzeilingsconstructies via derde landen. Dat geldt ook voor tussenpersonen en complexe handelsketens. Een eenmalige screening bij onboarding is daarom niet meer voldoende.

Vooral internationale klanten vragen om voortdurende alertheid. Dat geldt ook voor handelsstromen en betalingen via risicovolle jurisdicties. Veranderingen in partijen of landen kunnen risico’s verhogen. Hetzelfde geldt voor gewijzigde goederenstromen of UBO’s. Zulke wijzigingen beïnvloeden direct het risicoprofiel.

Sanctiescreening gaat daarom verder dan namen controleren op lijsten. Ook transacties en structuren kunnen risico’s signaleren. Dat geldt vooral bij mogelijke sanctie-omzeiling. Deze risico’s spelen sterk binnen internationale handel en logistiek. Ook grondstoffenhandel en complexe supply chains vragen extra aandacht. De gevolgen voor klant- en transactierisico’s kunnen groot zijn.

AML- en KYC-onderzoeken zijn daardoor sterk dynamisch. Nieuwe bestuurders kunnen aanleiding geven voor herbeoordeling. Dat geldt ook voor gewijzigde aandeelhoudersstructuren of veranderende UBO’s. Sanctiewijzigingen en negatieve media spelen eveneens een rol. Een klant met een laag risicoprofiel kan later sterk veranderen.

Hier raken cliëntenonderzoek en transactiemonitoring elkaar. Soms ontstaat daarbij ook een meldplicht. Afwijkingen moeten verklaarbaar zijn. Ongebruikelijke transacties vragen om extra onderzoek. Het onderzoek verschuift dan naar een verdiepend integriteits- of AML-onderzoek.

Veelvoorkomende knelpunten in de praktijk

In veel organisaties zit de spanning niet in de regels zelf, maar in de uitvoering. Dossiers zijn onvolledig, informatie uit verschillende systemen sluit niet op elkaar aan, commerciële druk botst met compliance-eisen en periodieke reviews worden vooruitgeschoven. Daarnaast ervaren klanten vragen over herkomst van vermogen, eigendomsstructuren of buitenlandse entiteiten regelmatig als belastend of onbegrijpelijk, zeker wanneer aanvullende informatie op meerdere momenten wordt opgevraagd. 

Een ander knelpunt is dat KYC soms te veel als administratief proces wordt ingericht. Daardoor verschraalt het onderzoek tot documentverzameling, terwijl juist de analyse centraal zou moeten staan. Een dossier is pas sterk als niet alleen alle stukken aanwezig zijn, maar ook duidelijk is waarom een klant wel of niet acceptabel wordt geacht en hoe dat besluit zich verhoudt tot het vastgestelde risico. 

Ook brongebruik speelt hier een rol. Wie blind vaart op één databron of screeningstool, loopt het risico dat verouderde of onvolledige informatie wordt overgenomen in het dossier. Zeker bij internationale klanten kan het verschil tussen een data provider en een lokaal register bepalend zijn voor de vraag of een dossier nog actueel genoeg is om op te vertrouwen. 

De rol van compliance, business en externe partijen

AML- en KYC-onderzoeken zijn niet exclusief van compliance. De business kent de klant, sales of relatiemanagers signaleren afwijkingen in de praktijk, compliance stelt de kaders en second line controls, en operations of onboarding-teams verwerken en verifiëren gegevens. In complexe dossiers worden daarnaast vaak externe databronnen, screeningtools of gespecialiseerde onderzoeks- en legal partijen ingezet, bijvoorbeeld bij internationale structuren, sanctierisico’s of escalaties rond account closures.

Juist omdat AML/KYC doorloopt gedurende de hele relatie, is samenwerking cruciaal. Een goed dossier ontstaat niet door één goede onboarding, maar door consistente vastlegging, periodieke herijking en tijdige escalatie zodra signalen niet meer passen bij het klantprofiel. Dat geldt niet alleen voor Wwft-plichtige instellingen, maar in toenemende mate ook voor ondernemingen die via hun bank, financiers of handelspartners worden geconfronteerd met indirecte compliance-eisen.

Afronding en vooruitblik: van klantonderzoek naar compliance audits

AML- en KYC-onderzoeken vormen in zekere zin de dagelijkse praktijkvariant van wat in eerdere artikelen terugkwam bij due diligence en integriteitsonderzoeken. Ook hier draait het om de vraag met wie zaken worden gedaan, welke risico’s daarbij horen en hoe wordt voorkomen dat een organisatie onbewust onderdeel wordt van een groter integriteitsprobleem.

Waar due diligence vaak ziet op een eenmalig beslismoment, gaat AML/KYC over continue alertheid. Daarmee vormt dit type onderzoek een brug tussen preventie en detectie: van klantacceptatie naar transactiemonitoring, van dossieropbouw naar mogelijke melding, en soms uiteindelijk naar verdiepend intern onderzoek.

In het volgende en laatste artikel in deze reeks verschuift de focus naar compliance audits. Waar AML- en KYC-onderzoeken zich richten op individuele klanten, dossiers en transacties, kijken compliance audits juist breder naar de opzet, werking en effectiviteit van het compliance-framework als geheel. Daarmee vormt dat slotartikel het logische sluitstuk van deze reeks: van incident en dossier, naar systeem en beheersing.

 

Uitnodiging tot consultatie

We kunnen ons voorstellen dat u na het lezen van dit artikel vragen heeft en graag van gedachte wilt wisselen over bepaalde onderwerpen. Of dat u met een concrete casus zit waarover u van gedachte wilt wisselen. We nodigen u uit om vrijblijvend contact met ons op te nemen om kennis te maken met u (en/of uw casus). Onze contactgegevens vindt u op onze website.  

 

<h3>Vooruitblik naar het volgende artikel

In het volgende artikel duiken we in de ongemakkelijke waarheid: Internal Audit vs. de Business. Waarom auditteams vaak als “remmende factor” worden gezien – en hoe je dat omdraait.  

 

Kom in contact

Dennis van der Meer | +31618948848 | dennis.van.der.meer@compliancechamps.com

Boy Custers | +31649935735 | boy.custers@compliancechamps.com

 

Lees hier meer artikelen.

De drie grootste blinde vlekken in AML/CFT-audits (en hoe ze je organisatie kunnen ruïneren)

Introductie: Waarom je AML/CFT audit tekort kan schieten

De AML/CFT-audit is succesvol afgerond en de uitkomst in het rapport ziet er goed uit. Ook compliance heeft zijn reviews gedaan voor het jaar en we vinden met zijn alle dat we in control zijn. En toch… blijken een aantal klanten onderdeel van een witwasnetwerk van een paar honderd miljoen euro, miste jouw monitoringtool transacties die wel door de concurrent werden opgemerkt, en heeft een medewerker jarenlang PEP transacties goedgekeurd zonder verscherpte controle handelingen. 

Hoe kan dat? 

AML/CFT audits zijn in de praktijk vaak kwetsbaar voor een aantal fundamentele blinde vlekken: de cultuur binnen de organisatie, menselijk gedrag onder druk, en de manier waarop data wordt gebruikt en geïnterpreteerd. 

In dit artikel ontrafelen we:
Blinde vlek 1: Cultuur: Waarom een “compliance-vinkjescultuur” échte risico’s maskeert.
Blinde vlek 2: Mensen: De psychologie achter het negeren van rode vlaggen.
Blinde vlek 3: Data: Waarom je monitoringtools meer missen dan ze vinden. 

Blinde vlek 1: De “Compliance-Vinkjescultuur” – Waarom je organisatie denkt dat ze compliant is, terwijl ze dat niet is 

In veel organisaties is AML/CFT-compliance langzaam verschoven van een risico gedreven discipline naar een administratief proces. Wat ooit bedoeld was om risico’s zichtbaar en beheersbaar te maken, is in de praktijk vaak gereduceerd tot het volgen van stappen en het afvinken van checklists. Medewerkers doen wat er van hen gevraagd wordt, maar staan zelden stil bij de vraag wat het daadwerkelijk betekent, voor risico’s, voor de organisatie, of voor de effectiviteit van het geheel. Het gevolg? 

  • Rapporten vol bevestigingen dat processen bestaan en zijn geïmplementeerd, maar nauwelijks duidelijk bewijs dat ze effectief werken. 
  • Audits die zich richten op “makkelijke” onderdelen (bijvoorbeeld klantacceptatie en policy checks), terwijl complexe risico’s (bijvoorbeeld transactiemonitoring en cultuur) worden genegeerd. 
  • Een valse zekerheid: “We zijn compliant, want we volgen de regels.” 

Voorbeeld uit de praktijk: 
De Volksbank kreeg in 2025 een boete van €20 miljoen van de DNB, omdat hun compliance-systeem niet up-to-date was en risico’s niet effectief werden gemitigeerd. Het probleem? De bank had wel processen, maar die werden niet kritisch beoordeeld op effectiviteit. Medewerkers volgden de regels, maar begrepen niet waarom – en dus misten ze signalen die op mogelijk witwassen duidden. 

Waarom is dit een blinde vlek? 

Cultuur bepaalt de mate en diepgang van compliance

In organisaties waar compliance wordt gezien als een verplichting, ontstaat al snel een minimale invulling: “doen wat nodig is om door de controle te komen.” Medewerkers volgen processen, maar voelen zich niet verantwoordelijk voor het onderliggende doel. Het signaleren van risico’s vraagt echter nieuwsgierigheid, eigenaarschap en vaak ook lef. Als die elementen ontbreken, blijven afwijkingen onopgemerkt — niet omdat ze er niet zijn, maar omdat niemand actief op zoek is of de vinger op de zere plek te leggen en zich uit te spreken. 

Geen eigen verantwoordelijkheid

Wanneer compliance wordt gepositioneerd als een aparte afdeling, ontstaat een impliciete scheiding: “zij gaan over de regels, wij over de business.” In theorie blijft iedereen verantwoordelijk, maar in de praktijk verwatert dat. Risicobeheersing wordt iets wat je kunt doorverwijzen, in plaats van iets wat integraal onderdeel is van dagelijks handelen. Het gevolg is dat signalen blijven hangen tussen teams, of simpelweg niet worden opgepakt omdat niemand zich echt eigenaar voelt. 

Angst voor conflict

Kritische vragen stellen over klanten, transacties of interne processen vraagt ruimte en veiligheid. In veel organisaties wordt die ruimte door medewerkers beperkt gevoeld. Medewerkers die doorvragen, worden soms gezien als lastig, vertragend of “niet commercieel genoeg”. Zeker in omgevingen met hoge werkdruk of sterke focus op targets kan dat effect worden versterkt. De rationele keuze wordt dan om binnen de lijntjes te blijven en geen discussie aan te gaan, ook als er twijfel is. 

Hoe pak je dit aan? 

Maak compliance ieders verantwoordelijkheid: Leg uit waarom regels bestaan en waarom ze belangrijk zijn voor de organisatie (bijv. “Dit voorkomt dat we gebruikt worden voor witwassen”) en wat ieders rol daarin zou moeten zijn. Kijk bij je volgende audit is naar het verantwoordelijkheidsgevoel bij de verschillende teams.
 Maak een compliance KPI: Stimuleer medewerkers om rode vlaggen te melden, ook als dat ongemakkelijk is. Om die vlaggen te kunnen herkennen zijn compliance trainingen cruciaal. Duik als auditor ook is in hoe compliance wordt gestimuleerd.
 Test de cultuur: Voer anonieme werknemerstevredenheidsonderzoek uit: Durven medewerkers kritiek te uiten? Voelen ze zich veilig om afwijkingen te melden?
 Laat (hoger) management de toon zetten: Als het management compliance negeert, zal de rest dat ook doen. Durf als auditor ook te benoemen wat de impact kan zijn van de toon van het management. 

 

Blinde vlek 2: Menselijk Gedrag – De psychologie achter het negeren van rode vlaggen 

We zijn niet rationeel – ook niet in compliance. Zelfs als systemen en processen perfect zouden zijn, mensen maken nu eenmaal fouten. En die fouten worden vaak veroorzaakt door psychologische valkuilen: 

 

Psychologische bias

Hoe het werkt

Voorbeeld

Confirmation bias  We zoeken naar informatie die onze overtuiging bevestigt.  Een auditor ziet dat een klant “op papier” in orde is en negeert signalen die anders zijn. 
Overconfidence bias  We overschatten onze eigen vermogen om risico’s te herkennen.  “Wij kennen onze klanten, dus wij weten welke transacties veilig zijn.” 
Groupthink  Groepsdruk zorgt ervoor dat afwijkende meningen worden onderdrukt.  Een team negeert een rode vlag omdat “Iedereen het erover eens is dat dit geen risico is”. 
Alert fatigue  Te veel valse alarmmeldingen leiden tot negeren van alle signalen.  Medewerkers klikken automatisch “veilig” aan, omdat 99% van de meldingen niets blijkt. 
Authority bias  We vertrouwen blind op gezag (bijv. senior management).  Een medewerker twijfelt aan een transactie, maar doet niets omdat de manager zegt: “Dit is in orde.” 

 

Deze kwetsbaarheid (‘de biases’) zit niet in systemen of procedures, maar in menselijk gedrag. En juist daarom is het zo hardnekkig: 

Mensen zijn geen machines

Zelfs de meest ervaren auditors en compliance officers maken continu inschattingen op basis van onvolledige informatie. Daarbij spelen onbewuste aannames en cognitieve biases een grotere rol dan vaak wordt erkend. Denk aan confirmation bias (we zoeken bevestiging van wat we al denken te weten) maar bijvoorbeeld ook ‘normalisation of deviance’ (afwijkingen die vaak genoeg voorkomen, gaan als “normaal” voelen). In een auditcontext betekent dit dat signalen die niet direct in het verwachte patroon passen, sneller worden weg gefilterd of gerationaliseerd. 

Cultuur versterkt biases

Die natuurlijke neiging wordt versterkt door de omgeving waarin mensen werken. Cultuur, de eerst benoemde blinde vlek, is daarin bepalend. In organisaties waar fouten primair worden gezien als iets dat bestraft moet worden, ontstaat terughoudendheid. Medewerkers worden voorzichtiger met het stellen van kritische vragen of het escaleren van twijfelgevallen. Niet omdat ze de risico’s niet zien, maar omdat de persoonlijke of organisatorische kosten van “lastig doen” als hoger worden ervaren dan de potentiële opbrengst. Het gevolg is dat risico’s wel worden opgemerkt, maar niet altijd worden uitgesproken. 

Druk om resultaten te boeken

Daar komt nog bij dat prikkels binnen organisaties niet altijd in lijn zijn met risicobeheersing. Wanneer snelheid, commerciële targets of klanttevredenheid zwaarder wegen in beoordeling en beloning, ontstaat er spanning. Medewerkers die worden afgerekend op doorlooptijden of volumes, zullen – bewust of onbewust – geneigd zijn om minder strikt te zijn in hun beoordeling. Niet per se uit onwil, maar omdat het systeem hen die richting op duwt. Hier zou een compliance KPI ook goed van pas kunnen komen om de boel te balanceren. 

In combinatie zorgen deze factoren voor een omgeving waarin risico’s niet altijd verdwijnen, maar wel minder zichtbaar worden. En dat maakt dit tot een van de meest verraderlijke blinde vlekken: iedereen doet zijn werk, en toch ontstaat er een structurele onderschatting van wat er werkelijk speelt. 

Hoe je dit oplost: 

 Train op gedrag, niet alleen op regels: Leer medewerkers kritisch na te denken en aannames uit te dagen. Controleer bij een audit de trainingsmaterialen op dit thema.
 Gebruik “red teaming”: Laat een team opzettelijk proberen om je systemen te omzeilen. Wat lukt er? Waar lopen ze tegen aan? Kijk als auditor hoe een organisatie zich kan wapenen tegen biases.
 Beloon het melden van fouten: Creëer een cultuur waar fouten melden wordt beloond, niet bestraft. Altijd goed om dit te pijlen in interviews en ‘walkthroughs’.
 Automatiseer waar mogelijk: Vervang menselijk oordeel door objectieve criteria waar dat kan (bijv. “Als transactie X, Y en Z kenmerken heeft, dan altijd escaleren”).
 Meet de kwaliteit van beslissingen: Analyseer achteraf hoe vaak menselijke beoordelingen fout waren en leer ervan. 

Vraag aan jou:

Welke psychologische valkuilen herken je in je eigen team? En hoe zorg je dat medewerkers durven te twijfelen? 

Blinde vlek 3: Data – Waarom je monitoringtools meer missen dan ze vinden 

Organisaties vertrouwen op geavanceerde monitoringtools om verdachte transacties op te sporen. Maar wat als die tools niet zijn afgestemd op de échte risico’s van je organisatie? Of als de data die je het systeem voert onvolledig of verouderd is, of zelfs verkeerd geïnterpreteerd wordt? 

Voorbeelden uit de praktijk: 

  • Bunq (Nederlandse neobank) kreeg in 2025 een boete van €2,6 miljoen van de DNB, omdat hun AML-controles herhaaldelijk tekortschoten. Eén van de problemen: de monitoringtools misten patronen die wel verdacht waren, omdat ze niet waren afgestemd op de specifieke risico’s van een fintech. 
  • De Volksbank kon klantactiviteiten niet goed monitoren tussen 2020 en 2023, omdat hun systemen niet meegingen met nieuwe witwasmethodes (bijvoorbeeld structurering via kleine bedragen). 

Op papier lijkt data gedreven monitoring één van de sterkste verdedigingslinies binnen AML/CFT. In de praktijk zit juist hier een fundamentele kwetsbaarheid. Niet omdat er te weinig data is, maar omdat de manier waarop we die data gebruiken beperkingen heeft die vaak worden onderschat: 

 

False Negatives

Een eerste probleem zit in wat níet wordt gezien: de zogenaamde false negatives. Monitoringtools zijn per definitie gebaseerd op modellen, scenario’s en historische patronen. Ze herkennen wat eerder al als risico is geïdentificeerd. Maar witwassen en fraude ontwikkelen zich continu. Nieuwe methoden passen vaak nét buiten de bestaande parameters en blijven daardoor onzichtbaar. Het systeem geeft dan geen signaal, terwijl er wel degelijk iets speelt. En omdat “geen alert” vaak wordt geïnterpreteerd als “geen risico”, ontstaat een gevaarlijke vorm van schijnzekerheid. 

False Positives

Aan de andere kant is er het tegenovergestelde probleem: false positives. Veel systemen genereren grote hoeveelheden alerts, waarvan een aanzienlijk deel uiteindelijk niet relevant blijkt. Dat leidt tot een operationele realiteit waarin medewerkers dagelijks enorme volumes moeten beoordelen. Na verloop van tijd treedt onvermijdelijk ‘alertmoeheid’ op. Signalen die aanvankelijk met aandacht worden onderzocht, worden steeds sneller afgedaan als “waarschijnlijk weer niets”. Niet uit onwil, maar uit efficiëntie. Het risico is duidelijk: juist het ene échte signaal kan verdwijnen in de massa. 

Data Silos

Daarbovenop komt dat data zelden één samenhangend geheel vormt. In veel organisaties is informatie verspreid over verschillende systemen: klantdata in het ene platform, transactiegegevens in een ander, risicobeoordelingen weer ergens anders. Deze silo’s maken het moeilijk om verbanden te leggen. Een transactie kan op zichzelf onschuldig lijken, net als een klantprofiel. Maar in combinatie, over tijd en systemen heen, kan er wel degelijk een patroon zichtbaar zijn. Als die puzzelstukken niet bij elkaar komen, blijft het grotere geheel verborgen. 

Hoe pak je dit aan? 

 Valideer je data: Zorg dat je monitoringtools daadwerkelijk de risico’s detecteren die relevant zijn voor jouw organisatie. Test regelmatig met realistische scenario’s. Ga bij een audit ook dieper in op hoe de ‘rules’ (de daarbij horende scenario’s) tot stand zijn gekomen.
 Combineer mens en machine: AI en data-analyse zijn krachtig, maar menselijk oordeel is nodig om context toe te voegen (bijvoorbeeld “Deze bestuurder is een PEP, maar zijn assets hebben niks te maken met de klantorganisatie”).
 Monitor de effectiviteit: Meet hoeveel echte risico’s je tool vindt en hoeveel het mist. Duik als auditor ook is in de statistieken van de monitoring tool.
 Integreer data: Zorg dat klantdata, transactiedata en risicodata met elkaar verbonden zijn, zodat patronen zichtbaar kunnen worden. Neem in je audit ook de data typen mee. 

 

Conclusie: Van blinde vlekken naar scherp zicht 

De drie blinde vlekken – cultuur, menselijk gedrag en data – staan niet los van elkaar. Ze versterken elkaar. Een organisatie met een vinkjescultuur zal minder kritisch kijken naar de effectiviteit van haar monitoring. Mensen die onder druk staan of gestuurd worden op snelheid, zullen sneller vertrouwen op systemen zonder die te bevragen. En systemen die niet effectief werken, maar wel worden gebruikt, voeden vervolgens weer de overtuiging dat “alles onder controle is”. Zo ontstaat een gesloten cirkel van schijnzekerheid. 

De pijnlijke realiteit is dat veel audits deze dynamiek niet doorbreken. Ze bevestigen dat processen bestaan, dat controles zijn uitgevoerd, en dat rapportages kloppen. Maar ze stellen zelden die scherpe vraag: Werkt dit systeem ook als het er echt toe doet? 

Een effectieve AML/CFT-audit kijkt daarom niet alleen naar wat er is ingericht, maar vooral naar hoe het in de praktijk functioneert — onder druk, bij twijfel, en op de momenten dat het spannend wordt. Dat vraagt iets anders van auditors: 

  • Niet alleen toetsen, maar doorvragen  
  • Niet alleen controleren, maar begrijpen  
  • Niet alleen rapporteren, maar ook confronteren  

Want uiteindelijk zit het verschil niet in nóg betere policies of nóg meer data. Het zit in de bereidheid om te zien wat je liever niet ziet. De vraag is dus niet of jouw organisatie blinde vlekken heeft. De vraag is: durf je ze echt zichtbaar te maken? 

Als je deze blinde vlekken negeert, blijf je reactief in plaats van proactief. Je organisatie is dan niet slecht beschermd – maar wel kwetsbaar op plekken waar je het niet verwacht. De 20% die écht impact maakt, begrijpt dat een goede AML/CFT-audit niet draait om het afvinken van regels, maar om het blootleggen van kwetsbaarheden voordat er misbruik van kan worden gemaakt. 

 

Uitnodiging tot consultatie

We kunnen ons voorstellen dat u na het lezen van dit artikel vragen heeft en graag van gedachte wilt wisselen over bepaalde onderwerpen. Of dat u met een concrete casus zit waarover u van gedachte wilt wisselen. We nodigen u uit om vrijblijvend contact met ons op te nemen om kennis te maken met u (en/of uw casus). Onze contactgegevens vindt u op onze website.  

 

Vooruitblik naar het volgende artikel

In het volgende artikel duiken we in de ongemakkelijke waarheid: Internal Audit vs. de Business. Waarom auditteams vaak als “remmende factor” worden gezien – en hoe je dat omdraait.  

 

Kom in contact

Dennis van der Meer | +31618948848 | dennis.van.der.meer@compliancechamps.com

Boy Custers | +31649935735 | boy.custers@compliancechamps.com

 

Lees hier meer artikelen.

Due diligence en reputatieonderzoek: integriteit toetsen vóór je ‘ja’ zegt

Bij fusies, overnames, grote klantrelaties en investeringen, in binnen en buitenland, ligt de nadruk traditioneel op financiële en juridische due diligence. Balansen worden doorgelicht, contracten nagekeken en fiscale structuren geanalyseerd. Toch blijkt in de praktijk vaak dat niet de cijfers, maar juist integriteitskwesties, sanctierisico’s en reputatieschade de echte dealbreakers zijn. 

In dit artikel staat daarom Integrity Due Diligence (IDD) centraal – in de internationale praktijk ook wel reputational due diligence genoemd. IDD is geen vervanging van legal, tax en financial DD, maar een aanvullende laag die antwoord geeft op een andere vraag: “willen we met deze partij geassocieerd worden?”. 

 

Waarom financiële en juridische DD niet genoeg zijn 

Financial, tax en legal DD zijn onmisbaar. Ze brengen in kaart of cijfers kloppen, welke contractuele verplichtingen bestaan en welke harde claims, zekerheden en fiscale risico’s er spelen. Toezichthouders en wetgevers verwachten bovendien dat organisaties hun huis financieel en juridisch op orde hebben. 

Tegelijkertijd verschuift de lat. Sanctieregimes worden strenger, Wwft/Wftverwachtingen worden concreter ingevuld, en zowel media als NGO’s en toezichthouders kijken scherper naar ESG, mensenrechten en ketenverantwoordelijkheid. Bestuurders krijgen daarbij steeds vaker te horen dat zij “hadden kunnen weten” dat een overnamekandidaat of belangrijke partner integriteitsproblemen had.  

Daar komt bij dat reputatieschade moeilijk te herstellen is. Het traditionele idee dat legal, tax en financial samen “de due diligence” vormen, en dat integriteitsonderzoek slechts een optionele aanvulling is, sluit daardoor steeds minder aan bij de praktijk. 

In transacties zien we bovendien vaak dat er één totaalbudget voor due diligence wordt afgesproken. Dat bedrag gaat doorgaans eerste op aan de standaardonderdelen. Alles wat daarbuiten valt wordt dan al snel als nicetohave weggezet en valt als eerste af als er moet worden geschrapt. Precies daar ontstaan de blinde vlekken. 

 

De basis: standaard DD, met IDD als aanvullende laag 

Tegenwoordig bestaat due diligence allang niet meer alleen uit het klassieke rijtje financial, tax en legal. Die vormen blijven de basis – zonder goed inzicht in cijfers, fiscale positie en contractuele verplichtingen kun je geen verantwoorde deal sluiten – maar daarbovenop is een hele generatie “aanvullende” DDsporen ontstaan. Cyber en ITDD, technische DD, commerciële en ESGDD en meer sectorspecifieke varianten zoals environmental of regulatoryDD worden steeds vaker als aparte werkstroom opgezet. 

In dit artikel zoomen we in op één van die aanvullende sporen: Integrity Due Diligence (IDD), in de internationale praktijk ook wel reputational due diligence of investigative due diligence genoemd. IDD is geen concurrerend alternatief voor financial, tax en legal DD, maar een bewuste verbreding. Waar het gebruikelijke onderzoek zich vooral richt op de formele kant van de onderneming – cijfers, structuren, contracten – kijkt IDD juist naar gedrag, integriteit en reputatie van de organisatie én de mensen eromheen. 

Daarbij komen open bronnenonderzoek, achtergrondchecks en reputatieanalyse samen: registers, sanctielijsten, rechtspraak, toezichthoudersites, media, NGOrapporten en social media worden gecombineerd met het track record van bestuurders, UBO’s en sleutelpersonen. Het resultaat is één samenhangend beeld dat niet alleen laat zien of de onderneming formeel klopt, maar vooral ook of je er als koper, investeerder of financier daadwerkelijk naast wílt staan. 

 

Kruisbestuiving tussen legal, tax, financial en IDD 

Op papier vullen legal, tax, financial DD en IDD elkaar mooi aan. Legal en tax/Financialteams werken in de dataroom en via Q&Arondes, IDDonderzoekers gebruiken vooral open bronnen en externe signalen. In de praktijk lopen die sporen echter vaak te veel naast elkaar, waardoor belangrijke feiten niet worden gespiegeld. 

Een illustratief voorbeeld uit onze praktijk: een standaardvraag is of bestuurders of aandeelhouders ooit betrokken zijn geweest bij een faillissement. In een legal Q&A werd die vraag ontkennend beantwoord. Vanuit het IDDonderzoek, dat onder meer het handelsregister, faillissementsregister en media doorzocht, bleek dat een van de betrokkenen eerder wel degelijk bestuurder was geweest van een failliete vennootschap. Dat stond gewoon in openbare bronnen. Pas door de antwoorden uit de legalQ&A naast de OSINTbevindingen uit de IDD te leggen, viel die discrepantie op. 

Dezelfde kruisbestuiving is mogelijk met financial en tax DD. Openbare jaarrekeningen en geconsolideerde rapportages geven een grove toets op omzet, winst, solvabiliteit en trends, die te vergelijken zijn met de cijfers in de dataroom. Faillissementsverslagen, rechtspraak en registers tonen eerdere faillissementen, bestuurdersaansprakelijkheid en beslagleggingen die zowel juridisch als financieel relevant zijn. Fiscale geschillen en boetes worden zichtbaar in rechtspraak, jaarrekeningen en nieuws of vakmedia en kunnen naast de uitkomsten van tax DD worden gelegd. En zekerheden en (her)financieringen laten zich deels herleiden uit pand en hypotheekregisters en persberichten. 

Niemand verwacht dat je met open bronnen een volledige financial of tax DD “namaakt”. Het punt is juist dat je ziet of het interne beeld ongeveer aansluit bij het openbare spoor en waar eventuele witte vlekken of spanningen zitten. Daarvoor is een bewuste informatiebrug nodig: gerichte toegang tot relevante Q&Aonderwerpen voor het IDDteam en systematische terugkoppeling van IDDbevindingen richting legal, tax en financial. 

 

Verdiepende anticorruptieDD: meer dan FCPA alleen 

Bij internationaal opererende groepen met veel overheidscontacten of activiteiten in hoogrisicolanden is een generiek IDDonderzoek soms niet voldoende. In die situaties wordt het IDD vaak aangevuld met een expliciet anticorruptie spoor, waarin wordt gekeken of de praktijk van betalingen, tussenpersonen en besluitvorming aansluit bij de eisen van moderne antiomkopingswetgeving. 

De FCPA (de Amerikaanse Foreign Corrupt Practices Act) is daarin een bekende referentie, maar zeker niet de enige. Ook de UK Bribery Act, de Franse Sapin IIwet en de Braziliaanse Clean Company Act leggen ondernemingen stevige normen op rond (buitenlandse) omkoping, anti-witwassen en interne beheersing, en verwachten aantoonbare due diligence op derde partijen. Autoriteiten publiceren bovendien uitgebreide guidance over wat zij onder een effectief anticorruptieprogramma verstaan. 

In de praktijk vertaalt zich dat naar een verdiepend DDspoor binnen IDD: gericht kijken naar highrisk betalingen, de rol van agents en consultants, contractvoorwaarden, approvals en monitoring in landen en sectoren met verhoogd risico. Het doel is niet om alle wetgeving uitputtend te toetsen, maar om te beoordelen of het integriteits en controleniveau past bij de jurisdicties waarin de partij actief is én bij de risk appetite van koper of financier. 

 

Het IDDrapport als dossier dat “meegroeit” 

Een mooi bijeffect van een goed IDDonderzoek is dat het rapport niet slechts éénmalig waarde heeft. Steeds vaker zien we dat zo’n rapport in de volledige levenscyclus van een deal terugkomt. 

In de eerste fase ondersteunt het de go/nogobeslissing: wil je deze partij wel in je portfolio, in jouw merkarchitectuur of in jouw financieringsboek? Later blijkt hetzelfde rapport bruikbaar richting banken voor (her)financiering, richting andere gereguleerde partijen in de keten die hun eigen integriteitschecks moeten doen, en richting subsidieverstrekkers of fondsen die aan hun stakeholders willen laten zien dat er zorgvuldig naar integriteits en sanctierisico’s is gekeken. 

Een casus uit onze praktijk illustreert dat heel mooi. In een traject rond een nieuw datacenter is een uitgebreide screening gedaan op een partij die de grootste klant in het datacenter zou worden. De directe aanleiding was de vraag of men die klantrelatie wel wilde aangaan, maar de investeerder keek nadrukkelijk verder: het vastgoed en de klantenportefeuille konden in de toekomst worden doorverkocht. Een gedegen IDDrapport moest dan kunnen dienen als bewijs richting toekomstige financiers en kopers dat er vooraf serieus naar integriteits, sanctie en reputatierisico’s is gekeken en dat men bewust bepaalde risico’s heeft geaccepteerd of gemitigeerd. IDD wordt zo een terugkerend bouwblok in de documentatieketen van de asset. 

 

Rode vlaggen en de vertaalslag naar risico 

Het IDD levert vaak een mix op van harde feiten, beschuldigingen, oude kwesties en ruis. Niet elk negatief bericht is een dealbreaker. De kunst is om te bepalen wanneer er daadwerkelijk sprake is van een rode vlag. 

Patronen van terugkerende corruptie, omkopings of fraudezaken, betrokkenheid bij sanctieomzeiling via dubieuze tussenpersonen en ondoorzichtige offshores of herhaaldelijk toezichtsingrijpen door autoriteiten wijzen op structurele integriteitsproblemen. Ook langdurige controverses rond mensenrechten, milieu of arbeidsomstandigheden in de keten vallen in die categorie. 

De volgende stap is steeds dezelfde: de vertaalslag van feit naar risico. Hoe oud is de kwestie en hoe is deze afgewikkeld? Ging het om een incident of zie je een patroon? Zijn er sindsdien aantoonbare verbetermaatregelen genomen? En wat betekent dit concreet voor strategie, vergunningen, financiers en stakeholders? Die analyse bepaalt of je door wilt, onder welke voorwaarden en met welke aanvullende waarborgen. 

 

Wie doet wat: bestuur, compliance en onderzoekers 

Een goede IDD komt alleen van de grond als rollen en verantwoordelijkheden helder zijn. Bestuur, investment en M&Ateams bepalen de risk appetite en maken uiteindelijk de go/nogobeslissing. Compliance en legal vertalen die appetite naar concrete onderzoeksvragen, beoordelingskaders en rapportageformaten. Externe onderzoeks en forensische partijen voeren vervolgens het diepgravende OSINT, integriteits en reputatieonderzoek uit, en waar nodig (bijvoorbeeld) een verdiepend anti-corruptiespoor dat aansluit op FCPA, UKBA, Sapin II of vergelijkbare wetgeving. Financiers en subsidieverstrekkers verwachten ten slotte dat grote transacties en projecten aantoonbaar zijn getoetst op integriteit, sancties, ESG en governance, en baseren daar hun eigen krediet en subsidiebesluiten op. 

 

Afronding en vooruitblik: van dealDD naar KYC 

IDD’s zijn de voorkant van hetzelfde speelveld waar integriteitsonderzoeken, klokkenluidersdossiers en arbeidsrechtelijke trajecten de achterkant van vormen. Wat je niet of onvoldoende onderzoekt vóór je ‘ja’ zegt, loop je grote kans later terug te krijgen als incident, onderzoek of crisis. 

In het volgende artikel in deze reeks verschuift de focus van eenmalige dealDD naar de dagelijkse praktijk: KYCscreenings en klantonderzoek (CDD). Daarin gaat het om de vraag hoe je de principes uit integriteits en reputational DD vertaalt naar doorlopend klantonderzoek, UBOvaststelling, sanctie en PEPscreening en monitoring gedurende de hele klantrelatie. 

 

Kom in contact

Dennis van der Meer | +31618948848 | dennis.van.der.meer@compliancechamps.com

Boy Custers | +31649935735 | boy.custers@compliancechamps.com

 

Lees hier meer artikelen.

Waarom 80% van de AML/CFT audits eigenlijk niet werkt (en hoe je bij de andere 20% hoort)

De illusie van compliance 

Stel je het volgende voor. Je organisatie heeft een ogenschijnlijk perfect AML/CFT-auditprogramma. Alles is netjes vastgelegd, rapportages worden op tijd opgeleverd en de toezichthouder vertrekt na het laatste onderzoek met een geruststellend oordeel. Op papier klopt alles. 

En toch – een jaar later – volgt een miljoenenboete. Of erger: je organisatie haalt de krant vanwege betrokkenheid bij een witwasschandaal dat jarenlang onopgemerkt bleef. 

Wat ging hier (waarschijnlijk) mis? 

De ongemakkelijke waarheid is dat het zelden ontbreekt aan regels, processen of zelfs deskundigheid. Het probleem zit in de fundamentele insteek. Onze observatie in de markt is dat circa 80% van de audits onbewust is gaan geloven in schijnzekerheid: compliance als een administratief einddoel, in plaats van risicobeheersing als continu proces. Het resultaat? Auditprogramma’s die draaien op vinkjes en tickets, maar falen in het detecteren van échte risico’s en afwijkend gedrag. In dit artikel ontrafelen we: 

  • Waarom audits vaak aan de oppervlakte blijven (en hoe je daar doorheen doorprikt). 
  • De drie grootste valkuilen voor audit teams. 
  • Hoe je de verschuiving maakt naar de 20% van de organisaties die wél waarde toevoegt. 

 

1. De valse zekerheid: “We zijn compliant” 

In de praktijk wordt een AML/CFT-audit nog te vaak gezien als een verplicht nummer. Deze mindset leidt tot audits die vooral aantonen dát processen bestaan, maar niet of ze onder druk standhouden. 

Rapporten staan vol bevestigingen dat beleid aanwezig is, dat controles zijn ingericht en dat procedures worden gevolgd. Maar de vraag die zelden echt wordt beantwoord is: werkt het ook in de praktijk? 

Daarbij richten audits zich vaak op de ‘low hanging fruit’, zoals de administratieve volledigheid van klantacceptatie. Complexere onderwerpen – zoals de effectiviteit van geavanceerde transactiemonitoring of de integriteit van de besluitvorming bij afwijkende gedragspatronen – blijven vaak onderbelicht. Het gevolg is een gevaarlijke vorm van zelfvertrouwen. Een organisatie kan “compliant” lijken, terwijl onder de oppervlakte significante risico’s blijven bestaan. 

Een effectief auditprogramma draait daarom niet om het afvinken van regels, maar om het blootleggen van kwetsbaarheden. Dat vraagt om een verschuiving: van controleren naar doorgronden, van documenteren naar verbeteren. 

De 20% die impact maakt, verlegt de focus van proces-compliance naar effectiviteits-compliance. Een effectief programma draait niet om het afvinken van regels, maar om het blootleggen van kwetsbaarheden voordat een crimineel ze vindt. 

 

2. De drie grootste valkuilen in AML/CFT-audits 

Waarom gaat het zo vaak mis? In de kern zijn er drie patronen die telkens terugkomen.

I. Tunnelvisie: kijken naar wat je al kent 

Auditors richten zich vaak op bekende risico’s en bestaande checklists. Dat geeft houvast, maar creëert ook blinde vlekken. Nieuwe dreigingen – zoals complexe fraudeconstructies, crypto-gerelateerde risico’s of geavanceerde witwasmethoden – blijven daardoor buiten beeld. 

Wanneer een audit afsluit met de conclusie dat er “geen significante bevindingen” zijn, is dat lang niet altijd geruststellend. Het kan juist een signaal zijn dat er niet diep genoeg is gekeken. 

Hoe pak je dit aan? 

  • Stuur op ‘Event-driven’ scopes: Stop met auditen “omdat het op de jaarplanning staat”. Focus op gebieden waar de markt of de organisatie verandert (bijv. nieuwe product-market combinaties). 
  • Gebruik technologie als spiegel: Zet data-analyse in om patronen te ontdekken die handmatige steekproeven missen, maar blijf kritisch op de datakwaliteit. 
  • Verbreed de blik: Betrek externe specialisten (bijv. SIRA- of sanctie-experts) om de eigen aannames uit te dagen. 

 

II. Papieren compliance: Het verschil tussen beleid en praktijk 

Veel organisaties hebben hun processen uitstekend gedocumenteerd. Op papier klopt het allemaal. Maar in de praktijk ontstaan afwijkingen. 

Medewerkers slaan stappen over omdat processen te omslachtig zijn. Monitoringtools genereren zoveel meldingen dat echte signalen verloren gaan in de ruis. Trainingen worden gevolgd, maar leiden niet tot ander gedrag. 

Dit is misschien wel de meest verraderlijke valkuil: de overtuiging dat iets werkt, omdat het zo is opgeschreven en is geïmplementeerd. 

Hoe pak je dit aan? 

  • Mystery Shopping / Walk-through tests: Test het proces door een fictieve, risicovolle klant door de onboarding te loodsen. Hoe makkelijk glipt deze erdoorheen? 
  • Meet de ‘Output-kwaliteit’: Kijk niet alleen of een melding is afgehandeld, maar of de afhandeling ook daadwerkelijk het risico heeft gemitigeerd. 
  • Haalbaarheidstoets: Als een regel niet nageleefd wordt, is de medewerker vaak niet het probleem, maar het proces. Durf dit te benoemen. 

 

III. De “audit als eindpunt” valkuil 

Een auditrapport wordt opgeleverd, besproken en vervolgens opgeborgen. Aanbevelingen verdwijnen naar de achtergrond, opvolging blijft uit en de organisatie gaat over tot de orde van de dag. 

In zo’n omgeving wordt audit gezien als controlemechanisme, niet als verbeterinstrument. Medewerkers ervaren het als iets externs, soms zelfs als bedreigend, in plaats van als kans om processen te versterken. 

De echte waarde van audit ontstaat pas wanneer bevindingen leiden tot concrete verandering. Dat vraagt om duidelijke, meetbare acties, betrokkenheid van de business en actieve opvolging. 

Hoe pak je dit aan? 

  • Maak auditbevindingen SMART: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Relevant, Tijdgebonden. 
  • Betrek de business bij de oplossing – laat degenen die het proces uitvoeren, meedenken over verbeteringen. Wijs daarnaast iemand aan die verantwoordelijk is voor de oplossing.
  • Communiceer de resultaten – laat zien dat audit niet alleen “controleren” is, maar ook waarde toevoegen.

 

3. Hoe je bij die 20% komt: Praktische stappen voor een werkende audit

 

Stap 1: Prioriteer op impact, niet op volledigheid

Niet elk risico verdient dezelfde aandacht. Toch worden audits nog vaak breed ingestoken, waardoor tijd en capaciteit versnipperen. 

Effectieve auditteams maken scherpe keuzes. Ze richten zich op de gebieden waar de kans én impact het grootst zijn: hoog-risicoklanten, complexe of afwijkende transacties en gedrag binnen de organisatie dat regels onder druk zet. 

Dat vraagt om het durven loslaten van standaardchecklists. In plaats daarvan staat de vraag centraal: waar kan het hier echt misgaan? 

Stap 2: Gebruik data om blind spots te ontdekken 

Veel audits bevestigen wat al bekend is. Maar de echte waarde zit in het ontdekken van blinde vlekken. 

Door actief gebruik te maken van data-analyse kunnen patronen zichtbaar worden die anders verborgen blijven. Denk aan ongebruikelijke transactiestromen, afwijkingen in klantgedrag of structurele uitzonderingen in processen. 

Hiermee verschuift de rol van audit: van controleren of iets klopt, naar het signaleren van wat níet klopt – ook als niemand er nog naar kijkt.

Stap 3: Maak audit een continu proces, geen eenmalige check 

Risico’s veranderen voortdurend, maar audits vinden vaak slechts periodiek plaats. Dat creëert een vertraging tussen wat er gebeurt en wat wordt gezien. 

Organisaties die impact maken, behandelen audit als een doorlopend proces. Ze herijken regelmatig hun risicoanalyse, monitoren continu kritieke processen en zorgen dat inzichten direct worden teruggekoppeld. 

Door kritieke processen continu te monitoren en kortere, thematische ‘deep dives’ te doen, wordt audit een integraal onderdeel van de risicobeheersing in plaats van een jaarlijks examen.  

Tip:
Stel een ‘auditroadmap’ op met prioriteiten en deadlines, en communiceer deze naar het management. 

Stap 4: Meet de impact van je audit 

Uiteindelijk draait het niet om het opleveren van rapporten, maar om het realiseren van verbetering. 

Dat betekent dat je verder moet kijken dan afgeronde audits of opgeloste bevindingen. Relevantere vragen zijn: worden risico’s sneller gesignaleerd? Leiden signalen tot actie? Verandert gedrag binnen de organisatie daadwerkelijk? 

Door dit soort effecten meetbaar te maken, wordt audit niet alleen zichtbaar, maar ook aantoonbaar waardevol. 

 

4. Conclusie: Van oppervlakkig naar echte risicobewustzijn

In deze aanpak verschuift audit van een controlerende functie naar een strategische partner in risicobeheersing. Niet door meer werk te doen, maar door het juiste werk te doen en daar consequent op te sturen. 

De meeste AML/CFT-audits werken niet omdat ze: 

  • Alleen vinkjes zetten in plaats van risico’s te ontdekken. 
  • Zich richten op papier in plaats van op gedrag. 
  • Geen actie wordt ondernomen na de audit. 

De 20% die wél het verschil maakt, begrijpt dat hun rol niet is om te bevestigen dat alles goed gaat, maar om de plekken te vinden waar het mis kán gaan. 

De oplossing? Een auditprogramma dat: 

  • Risico’s écht blootlegt (niet alleen checkt of ze “gedocumenteerd” zijn). 
  • Technologie en data gebruikt om blind spots te vinden. 
  • Betrokkenheid van de business stimuleert en actie afdwingt. 

 

Uitnodiging tot consultatie 

We kunnen ons voorstellen dat u na het lezen van dit artikel vragen heeft en graag van gedachte wilt wisselen over bepaalde onderwerpen. Of dat u met een concrete casus zit waarover u van gedachte wilt wisselen. We nodigen u uit om vrijblijvend contact met ons op te nemen om kennis te maken met u (en/of uw casus). Onze contactgegevens vindt u op onze website.  

 

Vooruitblik naar het volgende artikel 

In het volgende artikel duiken we dieper in de drie grootste blind spots die zelfs de scherpste AML/CFT-auditor over het hoofd kunnen zien. We ontrafelen waarom een audit die op papier perfect lijkt, in de praktijk vaak systematisch risico’s mist – denk aan cultuur, data en menselijk gedrag. Hoe komt het dat organisaties denken compliant te zijn, terwijl criminelen juist hier de grootste kansen vinden? Bereid je voor op een eerlijke check: welke blind spot herken jij in jouw team? 

 

Kom in contact

Dennis van der Meer | +31618948848 | dennis.van.der.meer@compliancechamps.com

Boy Custers | +31649935735 | boy.custers@compliancechamps.com

 

Lees hier meer artikelen.

Introductie artikelen reeks: AML/CFT Internal Audits – De Onzichtbare Strijd

 

AML/CFT internal audit is belangrijker dan ooit. Niet omdat de regelgeving dat zegt. Maar omdat de gevolgen van falen (boetes, reputatieschade, ingrijpende toezichthouders) steeds groter worden. 

En juist daarom is het opvallend hoe vaak de gesprekken over AML/CFT audits blijven hangen in… theorie. Regulatory kaders. Best practices. Kernprincipes die iedereen al kent. Veilig.  Correct. En eerlijk gezegd: weinig zeggend. 

Want in de praktijk gaat het zelden mis omdat iemand de regels niet kent. Het gaat mis omdat audits niet scherp genoeg zijn. Omdat risico’s worden gemist. Omdat niemand de ongemakkelijke vragen stelt. 

Precies dáár gaat deze reeks over. Niet over hoe het zou moeten, maar over waar het daadwerkelijk fout gaat. 

Achter veel auditrapporten schuilt een ongemakkelijke waarheid: organisaties die “compliant” lijken, maar risico’s structureel missen. Audits die netjes afvinken wat moet en ondertussen compleet voorbijgaan aan wat er écht toe doet. 

In de komende weken nemen we je mee in een reeks die die realiteit blootlegt:
“AML/CFT Internal Audits – De Onzichtbare Strijd” 

Geen theorie. Geen standaard praatjes. Wel de patronen die wij keer op keer zien en die bepalen of een audit waarde toevoegt… of juist schijnzekerheid creëert. 

 

We starten met vier artikelen waarvan de onderwerpen je waarschijnlijk pijnlijk bekend voorkomen: 

  1. Waarom 80% van de AML/CFT-audits niet werkt (en hoe je bij de andere 20% hoort)
    Over de illusie van compliance — en waarom “goed op papier” vaak gevaarlijk is.
  2. De 3 grootste blind spots in AML/CFT-audits (en hoe ze je organisatie kunnen ruïneren)
    Cultuur, data en menselijk gedrag: de risico’s die je auditrapport zelden écht vangt.
  3. De ongemakkelijke waarheid: InternalAudit vs. de Business (wie wint?)
    Wat er gebeurt als kritische audits botsen met commerciële realiteit. 
  4. AML/CFT-audits in 2026: Waarom oude methodes niet meer werken
    Nieuwe vormen van criminaliteit — en audits die daar simpelweg niet tegenop gewassen zijn.

En daarna? 

Dan gaan we een laag dieper.
Naar de onderwerpen waar minder over gesproken wordt maar die vaak de échte impact bepalen: 

  • De verborgen gevolgen waar niemand vooraf rekening mee houdt 
  • De krachten achter de schermen die audituitkomsten beïnvloeden 
  • Waarom goede bevindingen tóch nergens landen 
  • En wat er fundamenteel moet veranderen om audits toekomstbestendig te maken 

Deze reeks is voor iedereen die betrokken is bij AML/CFT — en zich afvraagt: 

“Doen we het juiste… of doen we vooral wat verwacht wordt?” 

Volg de serie en begin met jezelf die vraag te stellen. 

 

 

Vooruitblik

In het volgende artikel analyseren we de drie grootste blind spots in AML/CFT-audits en waarom juist daar structureel risico’s over het hoofd worden gezien.

Kom in contact

Dennis van der Meer | +31618948848 | dennis.van.der.meer@compliancechamps.com

Boy Custers | +31649935735 | boy.custers@compliancechamps.com

 

Lees hier meer artikelen.

Het landschap van compliance onderzoeken: Arbeidsrechtelijke onderzoeken: de onderzoeks- en juridische kant

Arbeidsrechtelijke onderzoeken na vermoedens van wangedrag op de werkvloer: hoe pak je dat aan, welke sancties pas je toe?

Door Dennis van der Meer en Lydia Milders (arbeidsrechtadvocaat)

Introductie

U vermoedt dat uw werknemer vertrouwelijke bedrijfsgegevens deelt met derden of onrechtmatig concurreert – wat zijn de onderzoeksmogelijkheden? En welke disciplinaire maatregelen treft u voorafgaand aan, tijdens en na afloop van het onderzoek? 

Arbeidsrechtelijke onderzoeken vormen de schakel tussen compliance-signalen over wangedrag op de werkvloer en concrete personele maatregelen. Een melding over ongeoorloofde nevenactiviteiten, diefstal van vertrouwelijke informatie of grensoverschrijdend gedrag leidt uiteindelijk tot de vraag: welke sanctie is passend, en houdt die stand in een procedure?  

In dit vijfde artikel in onze reeks Compliance Onderzoeken beschrijven we hoe deze onderzoeken in de praktijk verlopen. Dennis van der Meer belicht de forensische en feitelijke kant, terwijl Lydia Milders (Milders law) de juridische kaders en valkuilen uiteenzet. Samen geven we een zo volledig mogelijk beeld van wat HR, compliance en bestuur moeten weten om een arbeidsrechtelijk onderzoek succesvol te laten verlopen – én welke disciplinaire maatregelen kunnen worden toegepast. 

Van signaal naar arbeidsrechtelijk onderzoek 

Arbeidsrechtelijke onderzoeken starten vaak als een logisch vervolg op eerdere meldingen: een manager die informatie doorspeelt aan concurrenten, een integriteitssignaal over ongeoorloofde nevenactiviteiten, of een constatering dat een werknemer klantgegevens heeft gekopieerd. Zodra de feiten voldoende concreet zijn, verschuift de focus naar de individuele medewerker en de arbeidsrechtelijke gevolgen.  

Die overgang is niet vanzelfsprekend. Er moet een afweging worden gemaakt: is er genoeg om verder te onderzoeken, en zo ja, hoe diep ga je graven? Daarbij spelen twee centrale spanningen: 

Proportionaliteit versus diepgang

Het onderzoek moet stevig genoeg zijn om een eventuele sanctie – van waarschuwing tot ontslag – te kunnen dragen. Maar het mag niet verder gaan dan nodig. Een te invasief onderzoek kan disproportioneel worden geacht, zeker als achteraf blijkt dat de verdenking ongegrond was. De kunst is om de onderzoeksmiddelen af te stemmen op de ernst van de verdenking. 

Snelheid versus zorgvuldigheid

Bij ernstige vermoedens – bijvoorbeeld van fraude of diefstal – wil je snel handelen om verdere schade te voorkomen. Tegelijkertijd moet het onderzoek zorgvuldig zijn: de werknemer moet gehoord worden, bevindingen moeten worden vastgelegd, en het dossier moet de toets van de rechter kunnen doorstaan. Wie te snel schakelt, riskeert een onvolledig dossier; wie te lang wacht, kan het verwijt krijgen niet adequaat te hebben ingegrepen. 

En de AVG? Arbeidsrechtelijke onderzoeken verwerken per definitie persoonsgegevens, dus AVG-bewustzijn is vereist. In de arbeidsrechtpraktijk vormt dit echter zelden een obstakel. Hieronder gaan we daar verder op in. 

Het eindresultaat van het onderzoek moet hoe dan ook bestand zijn tegen juridische toetsing. Dat betekent: een helder dossier, een navolgbaar onderzoeksproces, en bevindingen die standhouden in een eventuele procedure bij de kantonrechter. 

Drie typische scenario’s 

Arbeidsrechtelijke onderzoeken draaien vaak om concrete gedragingen die de arbeidsrelatie schaden. Drie veelvoorkomende situaties: 

Scenario 1: Ongeoorloofd delen bedrijfsgeheime en concurrentiegevoelige informatie

Een salesmanager wordt verdacht van het doorsluizen van vertrouwelijke klantgegevens en pricinginformatie naar een nieuwe werkgever. Het onderzoek richt zich op gebruik van een eigen device voor werkmail, downloads van CRM-data, correspondentie met externe partijen en eventuele nevenactiviteiten. 

Scenario 2: Plichtsverzuim door nevenactiviteiten

Een controller runt, naast zijn dienstverband, een eigen adviesbureau in dezelfde branche en adviseert klanten die ook voor de werkgever werken. Onderzocht wordt of de nevenfunctie is gemeld, of werkuren zijn gebruikt voor privédoeleinden, of er overlap is met de klantenkring, en of vertrouwelijke informatie is gelekt. 

Scenario 3: Grensoverschrijdend gedrag

Meldingen over ongepaste opmerkingen, machtsmisbruik of (seksueel) intimiderend gedrag van een manager richting junioren. Hier draait het onderzoek om patronen: zijn er meerdere melders, WhatsApp-groepen, getuigenverklaringen en HR-gesprekken? 

Bij al deze scenario’s spelen ook privacy vragen. Het juridische kader daarvoor komt verderop aan bod. 

De forensische aanpak in arbeidsrechtelijke onderzoeken 

Financieel onderzoek en data analyse 

Bij vertrouwensbreukzaken controleren onderzoekers declaraties, reis- en verblijfskosten, en gebruik van bedrijfsmiddelen. Data-analyse detecteert ongebruikelijke patronen in urenregistratie of declaraties die wijzen op nevenactiviteiten.  

Digitaal forensisch onderzoek 

Mailverkeer, chatgeschiedenis, CRM-toegang en device-gebruik worden veiliggesteld. Bij arbeidsrechtelijke onderzoeken is forensische imaging van werkdevices vaak essentieel, maar roept direct privacyvragen op. Mailboxen bij externe IT-beheerders vormen een praktisch probleem: zonder heldere afspraken kan toegang vertraging opleveren.  

Bij grotere volumes komt eDiscovery in beeld: WhatsApp-groepen, Slack-kanalen en e-mail rond incidenten worden gefilterd met keyword searches en AI-clustering. Privacy inbreuk wordt geminimaliseerd door focus op werk gerelateerde data en redactie van privéberichten.  

Interviews en hoor/wederhoor 

Gesprekken met de verdachte, melders en getuigen zijn cruciaal, maar vragen om finesse. De verdachte krijgt concrete beschuldigingen voorgelegd met hoor en wederhoor. Opnames alleen met expliciete toestemming.  

Van belang is dat de beklaagde zo concreet mogelijke beschuldigingen krijgt voorgelegd, zodat hij of zij zich goed kan verweren. Dat is bij anonieme meldingen doorgaans niet mogelijk, tenzij de melding voldoende concrete feiten bevat die zonder prijsgeven van de melder kunnen worden voorgelegd. Anonieme meldingen kunnen daarom meestal geen zelfstandige basis vormen voor een persoonsgericht onderzoek, maar wel aanleiding geven voor een algemeen cultuur- of signalenonderzoek. 

Open bronnenonderzoek 

In verschillende open bronnen kan onderzoek uitgevoerd worden, waarbij onder andere nevenfuncties, KvK-registraties, LinkedIn en media worden doorgelicht om gemaakte verklaringen te toetsen.  

Juridisch kader aan de hand van scenario’s 

  1. Schending geheimhoudingsplicht

Bij vermoedens van het delen van bedrijfsgeheime informatie met derden staat meestal de contractuele geheimhoudingsplicht centraal. Vaak zijn op overtreding hoge boetes gesteld. Daarnaast speelt het goed werknemerschap (art. 7:611 BW) een grote rol: de werknemer is loyaliteit verschuldigd aan de werkgever en mag vertrouwelijke bedrijfsinformatie niet zomaar delen met derden, zeker niet met concurrenten. 

De juridische route hangt af van de ernst van de schending. Bij bewezen schending van het geheimhoudingsbeding of diefstal van bedrijfsgegevens ligt ontslag op staande voet (art. 7:677 jo. 7:678 BW) voor de hand, mits aan de onverwijldheidseis wordt voldaan. Bij minder ernstige schendingen – of wanneer de werkgever het risico van een mislukt ontslag op staande voet wil vermijden – kan hij kiezen voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen (e-grond) of een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). 

De bewijslast ligt bij de werkgever. Hij moet aantonen dat de gedeelde informatie bedrijfsgeheimen betreffen én dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld. 

  1. Nevenactiviteiten en belangenverstrengeling

Nevenactiviteiten zijn niet per definitie verboden, maar worden begrensd door het arbeidscontract, eventuele nevenwerkzaamhedenbedingen en het leerstuk van belangenverstrengeling. Sinds de Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (augustus 2022) geldt dat een nevenwerkzaamhedenbeding alleen geldig is als de werkgever een objectieve rechtvaardigingsgrond kan aanvoeren. Een algeheel verbod op nevenwerkzaamheden is daarmee niet langer houdbaar. 

Wanneer nevenactiviteiten leiden tot belangenverstrengeling – bijvoorbeeld doordat de werknemer klanten van de werkgever bedient via een eigen onderneming – kan dit plichtsverzuim opleveren en grond zijn voor ontslag wegens verwijtbaar handelen (e-grond). Bij ernstige gevallen, zoals het actief beconcurreren van de werkgever of het wegsluizen van klanten, kan zelfs een dringende reden bestaan. 

  1. Grensoverschrijdend gedrag

Grensoverschrijdend gedrag valt onder de wettelijke zorgplicht van de werkgever voor een veilige werkomgeving (art. 7:658 BW en de Arbeidsomstandighedenwet). De werkgever is verplicht (preventieve) maatregelen te treffen tegen ongewenst gedrag en moet bij signalen onderzoek (laten) doen. 

De passende sanctie hangt af van de ernst van het gedrag, de context, eventuele herhaling en de positie van de betrokkenen. Een eenmalige ongepaste opmerking rechtvaardigt doorgaans geen ontslag, maar structureel intimiderend gedrag door een leidinggevende kan stevige disciplinaire maatregelen rechtvaardigen, waaronder ontslag. 

De bewijslast is vaak complex: het gaat meestal om tegengestelde verklaringen – woord tegen woord. Een zorgvuldig onderzoek met meerdere getuigen, documentatie van patronen en toepassing van hoor en wederhoor is essentieel om disciplinaire maatregelen te kunnen nemen die ook standhouden in rechte. 

Privacy en AVG 

Bij een intern onderzoek naar fraude of andere misstanden komt privacy altijd om de hoek kijken. In de arbeidsrechtpraktijk valt de impact echter meestal mee. Bij concrete signalen van fraude, belangenverstrengeling of andere serieuze integriteitsschendingen krijgt de werkgever van de rechter doorgaans veel ruimte om onderzoek te doen. 

De Hoge Raad maakte dit al in 2001 duidelijk in het arrest Wennekes Lederwaren (HR 27 april 2001). Een werkgever had een verborgen camera opgehangen vanwege een vermoeden van verduistering. De werknemer beriep zich op privacy en wilde dat de beelden buiten beschouwing bleven. De Hoge Raad ging daar niet in mee: de werkgever had een gerechtvaardigd belang, het vermoeden was concreet, en het bewijs kon niet op een andere manier worden verkregen. Zelfs bij een inbreuk op de privacy betekent dat nog niet dat het bewijs niet mag worden gebruikt. 

Die lijn is sindsdien bestendigd. In 2014 formuleerde de Hoge Raad de algemene regel: in civiele zaken wordt onrechtmatig verkregen bewijs in beginsel niet uitgesloten. Het belang van waarheidsvinding weegt zwaarder. Bewijsuitsluiting is pas aan de orde bij bijkomende omstandigheden, en die drempel ligt hoog. 

De AVG geldt uiteraard gewoon, maar staat een onderzoek niet in de weg. De grondslag is meestal het gerechtvaardigd belang van de werkgever (art. 6 lid 1 sub f AVG). In fraudezaken valt die belangenafweging vrijwel altijd in het voordeel van de werkgever uit. 

Kortom: documenteer het onderzoek goed, leg de AVG-grondslag vast en voer het onderzoek fatsoenlijk uit. Maar laat u niet verlammen door privacyzorgen als er serieuze signalen op tafel liggen. De kans dat een rechter het bewijs buiten de deur houdt is – mits het onderzoek zorgvuldig en proportioneel is uitgevoerd – heel klein. 

Non-actiefstelling als tussenmaatregel 

Overweeg de werknemer direct na het eerste serieuze signaal op non-actief te stellen, met behoud van loon. Dit geeft ruimte voor onderzoek zonder dat de werknemer toegang heeft tot systemen of collega’s, en benadrukt dat de werkgever de zaak serieus neemt. 

De werknemer kan de non-actiefstelling aanvechten via een kort geding. De rechter beoordeelt dan of de verdenking voldoende concreet is onderbouwd, of hoor en wederhoor is toegepast, of de maatregel proportioneel is, of de non-actiefstelling procedureel zorgvuldig tot stand is gekomen, of er alternatieven zijn overwogen (zoals coaching, waarschuwing of een gesprek), en of de werkgever niet ontoelaatbaar vooruitloopt op een ontslagprocedure. 

Ontslagroutes: welke kies je wanneer? 

De keuze tussen de verschillende ontslagroutes hangt af van de ernst van het wangedrag, de sterkte van het bewijs en de risicobereidheid van de werkgever. 

Ontslag op staande voet (dringende reden) 

Ontslag op staande voet is de meest ingrijpende sanctie en vereist een dringende reden (art. 7:677 jo. 7:678 BW). Voorbeelden uit de wet zijn diefstal, verduistering, bedreiging en grove belediging, maar ook ernstige schending van de geheimhoudingsplicht of onrechtmatige concurrentie kan een dringende reden opleveren. De werkgever moet de dringende reden onverwijld aan de werknemer mededelen; dit houdt in zo snel mogelijk nadat de beslissingsbevoegde bekend is geworden met de feiten.

Het risico van ontslag op staande voet is aanzienlijk: als de rechter oordeelt dat geen dringende reden bestond of dat niet onverwijld is gehandeld, kan de werknemer het ontslag laten vernietigen. Dit kan leiden tot herstel van de arbeidsovereenkomst met loondoorbetaling. Kiest de werknemer niet voor vernietiging maar berust hij in het ontslag, dan kan hij in plaats daarvan aanspraak maken op een billijke vergoeding die bij een onterecht ontslag op staande voet vaak aanzienlijk is. 

Ontbinding wegens verwijtbaar handelen (e-grond) 

Wanneer het gedrag verwijtbaar is maar mogelijk onvoldoende ernstig voor ontslag op staande voet – of wanneer de werkgever het risico van een mislukt ontslag op staande voet wil vermijden – kan hij kiezen voor een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter wegens verwijtbaar handelen (e-grond, art. 7:669 lid 3 sub e BW). De rechter toetst of het handelen of nalaten zodanig verwijtbaar is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij ernstig verwijtbaar handelen kan de rechter oordelen dat geen transitievergoeding verschuldigd is; bij “gewoon” verwijtbaar handelen is deze wel verschuldigd. 

Bij twijfel over de ernst van het wangedrag of over de voortvarendheid van het onderzoek, kiest de werkgever vaak voor een ontbindingsverzoek via de kantonrechter: minder risico, meer proceszekerheid. 

Cumulatiegrond (i-grond) 

Sinds 2020 kan de werkgever een beroep doen op de cumulatiegrond (art. 7:669 lid 3 sub i BW) wanneer sprake is van een combinatie van omstandigheden uit meerdere ontslaggronden die afzonderlijk onvoldoende zijn, maar samen wel een ontslag rechtvaardigen. Bij toewijzing op de zogenoemde “i-grond” kan de rechter een extra vergoeding toekennen van maximaal 50% van de transitievergoeding. 

De i-grond is vooral nuttig wanneer de werkgever meerdere “halve” gronden heeft – bijvoorbeeld deels verwijtbaar handelen en deels een verstoorde arbeidsrelatie. Het nadeel is de mogelijke extra vergoeding, maar dat weegt soms op tegen de zekerheid van ontbinding. 

Vaststellingsovereenkomst (VSO) 

In de praktijk wordt een groot deel van de arbeidsrechtelijke geschillen opgelost via een VSO. De sterkte van het onderzoeksdossier bepaalt de onderhandelingspositie: een waterdicht dossier leidt doorgaans tot een snelle VSO op voor de werkgever gunstige voorwaarden, terwijl een zwakker dossier de werknemer meer onderhandelingsruimte geeft. 

Onderzoeksduur en de onverwijldheidseis 

Een belangrijk aandachtspunt bij ontslag op staande voet is de spanning tussen onderzoeksduur en de onverwijldheidseis. De werkgever hoeft niet overhaast te handelen – een zorgvuldig onderzoek is juist vereist om de feiten goed vast te stellen. Wel moet de werkgever gedurende het onderzoek voortvarend handelen en kunnen verantwoorden waarom het onderzoek de tijd heeft geduurd die het heeft geduurd. 

Concreet betekent dit: documenteer de onderzoekstijdlijn nauwkeurig, vermijd onnodige pauzes, en overweeg non-actiefstelling als tussenmaatregel. De onverwijldheid begint te lopen op het moment dat de werkgever (doorgaans: de persoon die bevoegd is tot ontslag) voldoende zekerheid heeft over de feiten. Het inwinnen van juridisch advies of het afwachten van een onderzoeksrapport kan deze termijn opschorten, mits dit voortvarend gebeurt. 

Het horen van de werknemer voorafgaand aan het ontslag is geen wettelijke eis, maar wel sterk aan te raden. De werknemer de gelegenheid geven om te reageren op de bevindingen versterkt de juridische positie. 

Rechters accepteren onderzoeksperiodes van enkele weken, soms zelfs maanden bij complexe fraudezaken, mits de werkgever kan aantonen dat hij voortvarend heeft gehandeld. 

Van bevindingen naar arbeidsrechtelijk besluit 

Een arbeidsrechtelijk onderzoek eindigt met een rapport dat voldoet aan drie eisen. Ten eerste feitelijke scheiding: harde feiten staan los van interpretatie en zonder juridische duiding (die is voorbehouden aan de juridisch adviseurs). Ten tweede reproduceerbaarheid: de methodiek moet navolgbaar zijn voor de kantonrechter. Ten derde privacy-proof: welke data is verwerkt, op welke grondslag, en hoe is deze beveiligd?  

Het rapport vormt de basis voor de besluitvorming van de werkgever. Die besluitvorming volgt een sanctietrap: van schriftelijke waarschuwing, via loonopschorting en ontslag met wederzijds goedvinden, tot ontslag via de kantonrechter of ontslag op staande voet. De centrale vraag is steeds: is het dossier sterk genoeg voor een dringende reden (ontslag op staande voet) of voor verwijtbaar gedrag (ontbinding)? Alternatieven zoals mediation, herplaatsing of tijdelijke aanpassing van de functie blijven altijd in beeld. 

Trends en aandachtspunten 

Professioneel onderzoek, voorkom betalen billijke vergoeding: uit veel rechtspraak volgt dat werkgevers steken laten vallen bij het (laten) doen van goed onderzoek, en het correct toepassen van hoor en wederhoor. Met als gevolg dat een hoge billijke vergoeding moet worden betaald aan de werknemer vanwege ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever (denk aan gemiddeld 4 – 12 maandsalarissen, of meer). Dit benadrukt het belang van een gedegen en onafhankelijk onderzoek, bij vermoedens van (ernstig) wangedrag op de werkvloer. 

Wet bescherming klokkenluider (Wbk): het komt voor dat een klokkenluider die een misstand meldt, zelf ook onderwerp wordt van onderzoek – bijvoorbeeld omdat hij verdacht wordt van betrokkenheid bij de gemelde feiten, of omdat zijn melding wordt gezien als poging om eigen wangedrag te maskeren. Dit levert een bijzonder spanningsveld op. De Wbk beschermt melders tegen benadeling, maar die bescherming is niet absoluut: als de melder zelf verwijtbaar heeft gehandeld, kan de werkgever daar onderzoek naar doen en zo nodig sancties opleggen. De kunst is om beide trajecten – het beschermen van de melder én het onderzoeken van mogelijk wangedrag – procedureel zuiver te houden en goed te documenteren waarom bepaalde maatregelen worden getroffen. 

AI en data-analyse: geavanceerde tools maken het mogelijk om sneller patronen te detecteren in grote datasets, maar vragen om bewustzijn van de grenzen. 

Hybride werken: het gebruik van privédevices en thuiswerken maakt de forensische grenzen lastiger te bewaken en vraagt om duidelijke afspraken vooraf (in gedragscode, handboek e.d.). 

Forensic readiness blijft cruciaal: logging aan, heldere IT-contracten, protocollen voor incidenten, en training van key users in data preservation. 

Tot slot 

Voor de arbeidsrechtpraktijk geldt; neem de tijd die nodig is voor een deugdelijk onderzoek, maar laat geen gaten vallen. Documenteer elke stap en wees in staat om achteraf uit te leggen waarom het onderzoek de doorlooptijd had die het had. Disciplinaire maatregelen (waaronder ontslag) kunnen enkel worden toegepast na zorgvuldig onderzoek en deugdelijke toepassing van hoor en wederhoor, en dienen altijd proportioneel te zijn. 

Vooruitblik: due diligence-onderzoeken 

In het zesde artikel verschuift de focus naar due diligence en reputatieonderzoek: hoe screen je externe partijen vóór overnames, partnerships of grote contracten? Forensische methoden, OSINT en integriteitschecks komen samen in een preventieve benadering.  

Kom in contact

Dennis van der Meer | +31618948848 | dennis.van.der.meer@compliancechamps.com

Boy Custers | +31649935735 | boy.custers@compliancechamps.com

 

Lees hier meer artikelen.

Het landschap van compliance onderzoeken: Klokkenluidersonderzoeken: van melding tot échte verandering

Klokkenluiders zijn onmisbaar voor het blootleggen van (ernstige) misstanden. Toch bepaalt de opvolging van een melding of een organisatie écht integer is, of dat het bij een papieren werkelijkheid blijft. Sinds de invoering van de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk) is het speelveld strenger gereguleerd. Maar hoe vertaal je een ‘onverwachte’ melding naar een deugdelijk feitenonderzoek en uiteindelijk naar blijvende verandering? 

Een juridische lappendeken: Wbk, Wwft en sectorwetten 

De Wbk verplicht organisaties met 50 of meer medewerkers tot een interne meldregeling en een passende onderzoeksprocedure. Maar voor veel sectoren is de Wbk slechts de basis. Er geldt een “lex specialis”: specifieke wetten die vaak nog strengere eisen stellen aan meldkanalen. Denk bijvoorbeeld aan: 

  1. Wwft (Anti-Money Laundering and Anti-Terrorist Financing Act)
    Sector: Financiële instellingen, advocatuur, accountancy, etc.
    Focus: Witwassen en terrorismefinanciering. 
  2. Wft (Financial Supervision Act)
    Sector: Financiële instellingen, verzekeraars, beleggingsinstellingen, etc.
    Focus: Financiële integriteit en marktmisbruik. 
  3. Wta (Audit Firms Supervision Act)
    Sector: Accountantsorganisaties
    Focus: Schending van beroepsregels en onafhankelijkheid. 
  4. AVG (GDPR)
    Sector: Alle sectoren
    Focus: Datalekken en privacy-inbreuken. 

Het risico voor organisaties is een versnipperd landschap van verschillende “loketjes”. De trend is daarom de inzet van één gecentraliseerd, multi-compliant meldplatform dat meldingen op basis van het onderwerp direct terecht laat komen bij de juiste expert (zoals de Compliance Officer of externe klokkenluidersfunctionaris), terwijl de anonimiteit en wettelijke termijnen gewaarborgd blijven. 

Verder kijken dan de eigen organisatie 

Vooruitstrevende organisaties openen hun meldkanaal inmiddels ook voor ketenpartners, zoals leveranciers en zzp’ers. Hoewel strikte rapportageverplichtingen zoals de CSRD en CSDDD door de komst van de “Omnibus-richtlijn”1 voor sommige bedrijven naar de achtergrond zijn verschoven, blijft de maatschappelijke noodzaak onverminderd groot. 

Vanuit maatschappelijke betrokkenheid valt er alles voor te zeggen om zicht te houden op integriteit buiten de eigen muren. Voor verzekeraars is dit zelfs een bittere noodzaak: onder de Wft zijn zij medeverantwoordelijk voor een integere bedrijfsvoering in hun gehele distributieketen (zoals volmachten). 

Een fundamentele vraag staat hier overeind: hoe zorg je ervoor dat al die signalen, van binnen én van buiten, daadwerkelijk boven tafel komen? Maatschappelijke betrokkenheid en wettelijke kaders scheppen de plicht om te luisteren, maar ze garanderen nog niet dat mensen ook durven te spreken. Dat vraagt om meer dan een beleidskeuze; het vraagt om vertrouwen in het meldproces zelf. 

Daarmee komen we bij het beginpunt van elk klokkenluidersonderzoek. Want of een misstand zich nu voordoet in de organisatie of in de keten eromheen, alles staat of valt met die eerste stap: de melding. Hoe die wordt gedaan, ontvangen en opgevolgd, bepaalt of een signaal uitgroeit tot echte verandering, of ongehoord blijft. 

Melding tot échte verandering

I. De Melding: Hoe zorg je dat medewerkers spreken?

Elke klokkenluiderszaak begint met een moment van twijfel. Een medewerker ziet iets wat niet klopt, voelt dat er iets moet gebeuren, maar aarzelt. De grootste hobbel is zelden de inhoud van de melding; het is de angst voor wat daarna komt. Reputatieschade, een verstoorde werkrelatie of subtiele vormen van benadeling liggen op de loer. De Wet bescherming klokkenluiders probeert die angst weg te nemen met de omgekeerde bewijslast: als een melder nadeel ondervindt, moet de werkgever aantonen dat dit niets met de melding te maken heeft. Dat biedt houvast, maar overtuigt lang niet iedereen. 

Wie medewerkers echt wil bewegen om hun stem te laten horen, moet verder kijken dan juridische waarborgen alleen. De praktijk laat zien dat vertrouwen vooral ontstaat door de manier waarop melden is ingericht. Toegankelijke, goed doordachte techniek speelt daarin een sleutelrol. 

Moderne meldplatformen fungeren als stille gidsen in dat eerste, kwetsbare stadium. Ze zorgen ervoor dat een melding niet blijft hangen op een algemeen e-mailadres, maar direct terechtkomt bij de juiste deskundige: compliance, HR of een onafhankelijke klokkenluidersfunctionaris. Dat geeft de melder het gevoel dat zijn signaal serieus wordt genomen vanaf het eerste moment. 

Minstens zo belangrijk is de mogelijkheid om anoniem te blijven, zonder in stilte te verdwijnen. Beveiligde systemen maken het mogelijk om volledig anoniem te melden én toch in gesprek te blijven. Via een afgeschermde chat kunnen onderzoekers verduidelijkende vragen stellen en aanvullende informatie ophalen. Zo groeit een eerste signaal uit tot een volwaardig verhaal, in plaats van een melding die vastloopt omdat essentiële details ontbreken. 

Juist in deze eerste fase wordt de toon gezet. Als medewerkers ervaren dat spreken veilig, laagdrempelig en zinvol is, ontstaat ruimte voor de volgende stap: een onderzoek dat niet alleen vaststelt wat er misging, maar ook de weg opent naar echte verandering. 

II. Het Onderzoek: Onafhankelijke feitenvaststelling

Na de melding volgt een beslissend moment. Binnen zeven dagen moet de ontvangst zijn bevestigd, maar in werkelijkheid begint dan pas het echte werk. Vanaf dit punt staat er meer op het spel dan alleen waarheidsvinding. De manier waarop het onderzoek wordt ingericht en uitgevoerd, bepaalt of het dossier intern tot rust komt of juist uitgroeit tot een kwestie die zijn weg vindt naar de media of toezichthouders zoals de Autoriteit Financiële Markten of De Nederlandsche Bank. 

In deze fase is onafhankelijkheid geen abstract principe, maar een harde randvoorwaarde. Een onderzoek dat wordt uitgevoerd door iemand met een hiërarchische, persoonlijke of organisatorische band met de beklaagde, roept al snel vragen op. Zelfs als de conclusies inhoudelijk kloppen, kan de schijn van belangenverstrengeling het vertrouwen ondermijnen. Daarom is het essentieel dat onderzoekers zichtbaar losstaan van de interne machtsverhoudingen. Onafhankelijkheid beschermt niet alleen de melder, maar ook de organisatie zelf. 

Daarnaast draait een goed onderzoek om transparantie in de aanpak. Betrokkenen moeten kunnen volgen hoe conclusies tot stand komen. Worden alle relevante feiten verzameld? Is hoor en wederhoor zorgvuldig en evenwichtig toegepast? Een navolgbare methodiek, gebaseerd op verifieerbaar bewijs, voorkomt dat het onderzoek later wordt weggezet als subjectief of gekleurd. Het verhaal moet kloppen, niet alleen inhoudelijk, maar ook procesmatig. 

Een bijzonder spanningsveld ontstaat wanneer het onderzoek zich niet meer uitsluitend richt op de melding, maar ook op de melder zelf. In de praktijk komt het regelmatig voor dat er een zogenoemde ‘tegenmelding’ opduikt: kritiek op het functioneren of gedrag van de melder. Dat kan legitiem zijn, maar vormt ook een risico. Wanneer deze lijnen door elkaar gaan lopen, verschuift de aandacht ongemerkt van de inhoud van de melding naar de persoon die deze deed. 

Een zorgvuldig onderzoek bewaakt die grens strikt. De feiten rond de melding worden onderzocht op hun eigen merites; eventuele HR-kwesties volgen een afzonderlijk spoor. Alleen zo blijft het onderzoek zuiver en wordt voorkomen dat het proces ontaardt in een strijd om geloofwaardigheid in plaats van een zoektocht naar de waarheid. 

Juist in deze fase laat een organisatie zien hoe serieus zij meldingen neemt. Onafhankelijke, zorgvuldige feitenvaststelling vormt de brug tussen spreken en oplossen — en daarmee de basis voor duurzame verandering. 

Wat klokkenluidersonderzoek uniek maakt, is dat het zich afspeelt op het snijvlak van feiten, vertrouwen en macht. Anders dan bij reguliere interne onderzoeken staat niet alleen het wat centraal, maar ook het wie en waarom. De melder is geen neutrale bron, maar vaak onderdeel van dezelfde organisatiecultuur die ter discussie staat. Dat vraagt van onderzoekers een scherp gevoel voor context, dynamiek en timing. Elk signaal, elke keuze in het proces kan door betrokkenen worden gelezen als bevestiging of ontkenning van hun gelijk. Juist daarom is klokkenluidersonderzoek meer dan een technische exercitie: het is een ‘test’ voor de integriteit van de organisatie zelf, waarin zorgvuldigheid en onafhankelijkheid bepalend zijn voor de geloofwaardigheid van de uitkomst. 

III. De Verandering: Impact en cultuur 

Een klokkenluidersonderzoek eindigt niet bij het rapport. Sterker nog, daar begint het spannendste deel pas. Feiten kunnen worden vastgesteld, conclusies zorgvuldig geformuleerd, maar zonder opvolging blijft een onderzoek een papieren werkelijkheid. De echte maatstaf voor succes is de vraag of de organisatie er aantoonbaar van leert en haar integriteit weet te herstellen. 

Dat vraagt om een vertaling van bevindingen naar structurele lessen. Soms blijkt een melding te gaan over een eenmalig incident, veroorzaakt door individuele keuzes. Vaker legt zij echter iets fundamentelers bloot: onduidelijke verantwoordelijkheden, gebrekkige interne controles of een cultuur waarin afwijkende signalen te lang zijn genegeerd. Juist op dat punt ontstaat echte verandering. Niet door schuldigen aan te wijzen en door te gaan, maar door processen, governance en gedrag kritisch tegen het licht te houden en waar nodig aan te passen. 

Minstens zo bepalend is wat deze fase doet met het gevoel van veiligheid binnen de organisatie. Psychologische veiligheid groeit niet door beleidsstukken, maar door zichtbaar handelen. Wanneer bestuur en leidinggevenden open communiceren over wat er met de melding is gebeurd, binnen de grenzen van vertrouwelijkheid, en laten zien dat misstanden daadwerkelijk consequenties hebben, verandert de perceptie. Zeker wanneer die consequenties ook de top raken, wordt een krachtig signaal afgegeven: integriteit geldt voor iedereen. 

In die zichtbare keuzes schuilt de lange termijn impact van klokkenluidersonderzoeken. Ze bepalen of medewerkers de volgende keer zwijgen, of juist durven spreken. En daarmee of melden wordt gezien als een risico, of als een essentieel onderdeel van een gezonde organisatiecultuur. 

Conclusie 

Klokkenluidersonderzoeken vragen om een evenwicht tussen juridische precisie en menselijke veiligheid. Het is een proces van melding tot verbetering dat de ruggengraat van een integere organisatie vormt. 

Uitnodiging tot consultatie 

We kunnen ons voorstellen dat u na het lezen van dit artikel vragen heeft en graag van gedachte wilt wisselen over bepaalde onderwerpen. Of dat u met een concrete casus zit waarover u van gedachte wilt wisselen. We nodigen u uit om vrijblijvend contact met ons op te nemen om kennis te maken met u (en/of uw casus). Onze contactgegevens vindt u op onze website. 

Vooruitblik naar het vijfde artikel: arbeidsrechtelijke onderzoeken 

In het volgende artikel in deze reeks verschuift de focus van klokkenluiders naar arbeidsrechtelijke onderzoeken. Daar komen veel lijnen samen: wat gebeurt er wanneer een melding of integriteitskwestie uitmondt in een serieus vermoeden van plichtsverzuim, vertrouwensbreuk of (ernstige) integriteitsschending door een individuele medewerker? We gaan in op de rol van feitenonderzoek binnen arbeidsrechtelijke trajecten, de spanning tussen onderzoek en privacy, en de vraag hoe organisaties voorkomen dat een slecht voorbereid onderzoek later in een ontslag- of sanctieprocedure als boemerang terugkomt. 

Kom in contact

Dennis van der Meer | +31618948848 | dennis.van.der.meer@compliancechamps.com

Boy Custers | +31649935735 | boy.custers@compliancechamps.com

 

Lees hier meer artikelen.

Aanpakken van ML/TF-risico’s in crypto-diensten via toezicht

Een uitgebreide samenvatting van het EBA-rapport zoals gepubliceerd in oktober 2025

Algemeen overzicht

Het rapport, gepubliceerd door de Europese Bankautoriteit (EBA), analyseert hoe aanbieders van crypto-activadienstverleners (CAD’s) hebben geprobeerd toezicht op het gebied van anti-witwassen en terrorismefinanciering (AML/CFT) te omzeilen, en hoe dergelijke praktijken kunnen worden aangepakt onder de Verordening betreffende markten in crypto-activa (Regulering 2023/1114, hierna: MiCA) en het EU-AML-wetgevingspakket (AMLR, AMLD6 en AMLAR). Het rapport baseert zich op concrete casussen om kwetsbaarheden te identificeren en lessen te formuleren voor een effectieve implementatie.

Het rapport is gestructureerd rond twee kernobservaties. Ten eerste, heeft de crypto-sector zowel een snelle technologische als economische groei doorgemaakt, wat de kwetsbaarheid voor misbruik ten behoeve van witwassen en terrorismefinanciering vergroot. Ten tweede, verschilden vóór de toepassing van MiCA de nationale toezichtbenaderingen tussen de lidstaten aanzienlijk. Deze fragmentatie stelde ondernemingen in staat om leemtes in regelgevingen te benutten, waardoor de integriteit van het Europese financiële stelsel werd ondermijnd.

MiCA beoogt deze problemen aan te pakken door gefragmenteerde nationale toetredingsregimes te vervangen door één Europees autorisatiekader, ondersteund door passporting en gecoördineerd toezicht. Samen met het AML-wetgevingspakket bevordert MiCA meer consistente AML/CFT-vereisten binnen de Unie. Het rapport benadrukt echter dat consistente handhaving essentieel blijft.

Regelgevingscontext

Het regelgevingskader dat in het rapport wordt onderzocht, bestaat uit MiCA, de Anti-Money Laundering Regulation (AMLR), de Zesde Anti-Money Laundering Directive (AMLD6) en de Anti-Money Laundering Authority Regulation (AMLAR). Binnen dit kader zijn toezichtverantwoordelijkheden verdeeld tussen ESMA (autorisatie en toezicht op CAD’s), de EBA (uitgevers van asset-referenced tokens en e-money tokens, en AML/CFT-coördinatie tot eind 2025), en AMLA, die vanaf eind 2025 centrale AML/CFT-toezichtsbevoegdheden zal overnemen.

MiCA regelt wie de crypto-activamarkt mag betreden en onder welke voorwaarden. CAD’s moeten voldoen aan vereisten inzake governance, operationele weerbaarheid, transparantie en consumentenbescherming, en aantonen dat zij beschikken over adequate systemen, gekwalificeerd management en duidelijke organisatorische structuren.

AMLR introduceert rechtstreeks toepasselijke AML/CFT-regels, waaronder cliëntenonderzoek, transactiemonitoring, sanctiescreening en risicobeheer. AMLD6 versterkt de toezicht samenwerking, verduidelijkt de bevoegdheden van nationale autoriteiten en verbetert de toegang tot informatie over uiteindelijk belanghebbenden. AMLAR richt AMLA op en maakt direct toezicht mogelijk op geselecteerde hoog risico-entiteiten en coördinatie van nationale toezichthouders.

Omzeiling van toezicht

De EBA identificeert zes ontwijkingsstrategieën die zijn waargenomen vóór en direct na de inwerkingtreding van het nieuwe regelgevingskader in december 2024.

1. Opereren zonder autorisatie

Entiteiten verleenden CAD’s in lidstaten zonder de vereiste registratie, vergunning of autorisatie, waaronder vanuit andere EU-jurisdicties zonder toestemming van de gastlidstaat of vanuit derde landen met zwakkere toezichtkaders.

Risico: Het ontbreken van toezicht vergemakkelijkt illegale financiële stromen en laat klanten onbeschermd. Het verstoort ook de concurrentie, aangezien geautoriseerde ondernemingen aanzienlijke nalevingskosten dragen die niet-geautoriseerde ondernemingen vermijden.

Reactie: Artikel 143 MiCA voorziet in overgangsregelingen tot juli 2026. Na deze periode moeten niet-geautoriseerde entiteiten de EU-markt verlaten. Bevoegde autoriteiten worden geacht resterende niet-geautoriseerde activiteiten te monitoren en beëindiging af te dwingen.

2. Forum shopping

Vóór MiCA selecteerden ondernemingen strategisch jurisdicties die werden gezien als lichtere toezichthouders. Wanneer zij werden uitgedaagd, trokken zij aanvragen in en dienden deze elders opnieuw in. Sommigen verkregen nationale vergunningen kort vóór de inwerkingtreding van MiCA om te profiteren van langere overgangsperioden.

Risico: Forum shopping maakt regelgevingsarbitrage mogelijk, waardoor ML/TF-risico’s zich via grensoverschrijdende activiteiten binnen de interne markt kunnen verspreiden. Het vergroot ook de kans dat hoogrisico-entiteiten met zwakke AML/CFT-controles markttoegang verkrijgen en verstoort de concurrentie door kunstmatig verhoogde winstmarges mogelijk te maken.

Reactie: MiCA introduceert één autorisatieregime met passporting. Versterkte toezicht samenwerking en informatie-uitwisseling verminderen de mogelijkheid voor ondernemingen om elders opnieuw een aanvraag in te dienen na een weigering. Het rapport benadrukt ook het risico dat, afhankelijk van nationaal recht, sommige ondernemingen mogelijk blijven opereren terwijl zij in beroep gaan tegen afgewezen autorisatiebesluiten.

3. Misbruik van de reverse solicitation-vrijstelling

Aanbieders uit derde landen beweerden ten onrechte dat EU-cliënten zelf contact hadden opgenomen, terwijl zij actief diensten promootten via gerichte online strategieën.

Risico: Dit maakt ongecontroleerde markttoegang mogelijk door hoog-risico offshore-entiteiten en creëert blinde vlekken in AML/CFT-handhaving.

Reactie: Toezichthouders worden geacht de strikte en beperkte interpretatie van reverse solicitation te handhaven in lijn met ESMA-richtsnoeren. Elke vorm van actieve of indirecte marketing doet de vrijstelling vervallen en onderwerpt de aanbieder aan volledige autorisatievereisten.

4. Zwakke AML/CFT-naleving en risicobeheer

Gelicenseerde entiteiten vertoonden ernstige tekortkomingen, waaronder onvoldoende cliëntenonderzoek, uitbesteding van AML-functies naar het buitenland zonder effectief toezicht, en instabiele of onvoldoende gekwalificeerde compliance officers.

Risico: Deze zwakheden faciliteren direct witwassen en ondermijnen de effectiviteit van toezicht.

Reactie: Robuuste AML/CFT-systemen zijn een voorwaarde voor autorisatie. Toezichthouders kunnen vergunningen intrekken bij schendingen van AML/CFT-regels. Duidelijke vereisten inzake uitbesteding, governance en personeelscompetentie worden opgelegd via technische reguleringsnormen van de EBA en ESMA.

5. Ondoorzichtige uiteindelijk belanghebbenden en governance

Complexe offshore-structuren werden gebruikt om uiteindelijk belanghebbenden te verhullen, met inconsistenties tussen openbare registers en toezichtsdocumentatie.

Risico: Ondoorzichtige structuren verbergen zeggenschap, maken gebruik van lege vennootschappen mogelijk en verhullen illegale kapitaalbronnen.

Reactie: AMLD6 verplicht gecentraliseerde registers van uiteindelijk belanghebbenden. MiCA en AMLR vereisen openbaarmaking van eigendoms- en governancestructuren bij de autorisatiefase, ondersteund door geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsen.

6. Multi-entiteitsstructuren met hoog-risico partners

Ondernemingen maakten gebruik van gelieerde entiteiten, waaronder betaalinstellingen, e-money-instellingen of banken, om markttoegang te behouden terwijl zij toezicht ontweken.

Risico: Deze constructies maken het mogelijk dat verboden of ongeschikte entiteiten opnieuw de markt betreden, verspreiden zwakke nalevingsculturen binnen groepen en bemoeilijken de toerekening van AML/CFT-verantwoordelijkheid.

Reactie: Toezichthouders worden geacht gelieerde entiteiten en groepsstructuren te beoordelen tijdens de autorisatie, geschiktheids- en betrouwbaarheidstoetsen toe te passen op grensoverschrijdende eigendoms- en uitbestedingsstructuren, en waar passend gezamenlijk toezicht uit te oefenen.

Waarborgen en implementatie

MiCA introduceert belangrijke waarborgen: één autorisatie- en passportingregime; strikte beperkingen op reverse solicitation; versterkte handhavingsbevoegdheden; aangescherpte governance- en transparantievereisten; en verbeterde grensoverschrijdende samenwerking, waaronder openbare registers van geautoriseerde CAD’s.

Het rapport benadrukt verschillende toezichtprioriteiten om een effectieve implementatie te waarborgen, waaronder het beheren van de overgangsperiode, het plannen van ordelijke uittredingen voor niet-geautoriseerde entiteiten ter bescherming van cliëntactiva, het monitoren van de regulatoire perimeter, het oplossen van AML/CFT-kwesties vóór autorisatie, het behouden van dynamisch risicobewustzijn, het waarborgen van governance-transparantie, het herbeoordelen van geschiktheid en betrouwbaarheid, het toezicht houden op gelieerde entiteiten, het versterken van grensoverschrijdende samenwerking en het vereisen van centrale contactpunten voor grensoverschrijdende ondernemingen.

Conclusie

De EBA concludeert dat, hoewel het nieuwe regelgevingskader de EU-verdediging tegen ML/TF-risico’s in de crypto-activasector aanzienlijk versterkt, effectieve implementatie en toezicht samenwerking cruciaal blijven. Hoewel de EBA haar zelfstandige AML/CFT-bevoegdheden tegen het einde van 2025 overdraagt aan AMLA, zal zij onder haar MiCA-mandaat blijven bijdragen aan toezichtconvergentie en vroege risicodetectie.

Lees hier meer artikelen.

Het landschap van compliance onderzoeken: Integriteitsonderzoek

Integriteitsonderzoeken vormen een groot deel van de compliance onderzoeken. Ze gaan niet alleen over financiële fraude, maar bestrijken een breed spectrum aan kwesties: belangenverstrengeling, misbruik van positie, nevenactiviteiten en schendingen van gedragscodes. Waar een fraudeonderzoek vaak draait om harde cijfers en financiële sporen, zijn integriteitskwesties vaak subtieler. Het gaat om menselijke relaties, motieven en grijze gebieden waar regels en ethiek elkaar raken.  

Integriteit is de basis van vertrouwen in organisaties. Toch blijven integriteitsrisico’s soms onopgemerkt, met verstrekkende gevolgen voor reputatie, compliance en bedrijfscontinuïteit. In dit derde artikel van onze reeks staat niet de techniek van het onderzoek centraal, maar wat integriteitsonderzoek in de praktijk betekent: welke thema’s komen terug en welke patronen vallen op in recente casuïstiek. We bespreken niet alleen de bekende integriteitsrisico’s, maar ook de minder voor de hand liggende dreigingen.  

We kijken eerst kort naar de trends die integriteitsonderzoeken in 2025 vorm hebben gegeven. Ook duiden we even kort de verschillen met een fraudeonderzoek, besproken in het vorige artikel. Vervolgens duiken we in de praktijk: welke casussen komen terug, en hoe herkent u de signalen? We geven daarbij ook inzicht in een aantal onderbelichte indicatoren. 

Trends in integriteitsonderzoeken 

Integriteitskwesties verschuiven van louter corruptie en fraude naar bredere domeinen zoals botsing van belangen, reputatieschade en morele spanningen. Recente ontwikkelingen laten zien dat: 

  • Belangenverstrengeling en schijn daarvan steeds vaker worden gemeld, vaak rond nevenfuncties, aanbestedingen of besluitvorming waar persoonlijke relaties een rol spelen. 
  • Gedragscodes voor bestuurders, commissarissen en politieke ambtsdragers worden aangescherpt, met nadruk op transparantie over nevenbelangen en afkoelingsperiodes. 
  • Toezichthouders zoals de AFM en DNB-eisen betrouwbaarheidstoetsen voor bestuurders en commissarissen, met expliciete aandacht voor integriteitsantecedenten. 

Deze trends maken integriteitsonderzoeken actueler dan ooit, omdat ze niet alleen reactief zijn, maar ook preventief bijdragen aan goed bestuur en integere cultuur. Verderop in de casus zien we één van de trends ook terugkomen. 

Wat integriteitsonderzoek anders maakt dan fraudeonderzoek 

Ten opzichte van het forensische fraudeonderzoek uit ons tweede artikel zijn er een paar belangrijke verschillen: 

  • Meer normatieve discussie: Waar fraudeonderzoek vaak uitkomt op de vraag “is er financieel nadeel en wie is verantwoordelijk?”, draait integriteit veel vaker om normduiding: wat mocht van iemand verwacht worden, welke gedragsnormen golden, en hoe zwaar worden schijn en reputatierisico meegewogen? 
  • Minder harde cijfers, meer context: In integriteitscasussen spelen relaties, cultuur en machtsverhoudingen een grotere rol. Eén e-mail of declaratie vertelt zelden het hele verhaal; pas in combinatie met verklaringen, gedragspatronen en beleid ontstaat een beeld. 
  • Grotere gevoeligheid voor privacy en reputatie: Onderzoeken gaan vaak over individuele personen in zichtbare functies. Dat maakt zorgvuldigheid in omgang met persoonsgegevens, communicatie en hoor en wederhoor extra belangrijk. 

Juist die mix maakt integriteitsonderzoek voor bestuurders, HR en compliance spannend én waardevol: het dwingt organisaties concreet te worden over hun waarden. 

Integriteitsonderzoek: als gedrag onder het vergrootglas ligt

Waar fraudeonderzoek dus regelmatig draait om vervalste documenten, financiële benadeling en mogelijke strafrechtelijke elementen, beweegt een integriteitsonderzoek zich vaker in het grijze gebied. Het gaat om vragen als: welke belangen spelen hier mee, welke normen gelden, en wat mag je van een professional of leidinggevende verwachten? In de praktijk nemen meldingen over mogelijke belangenverstrengeling, nevenactiviteiten, omgangsvormen en schending van gedragscodes al jaren toe, zowel in publieke als private organisaties.​ Om het iets tastbaarder te maken volgt wat casuïstiek. 

“Jij wilt toch ook geen lastige werksfeer” 

Een groot familiebedrijf in de logistieke sector staat bekend om zijn betrouwbaarheid en klantgerichtheid. De rust wordt verstoord als er een anonieme melding binnenkomt bij de compliance-officer. Een medewerker van de inkoopafdeling zou regelmatig kostbare cadeaus accepteren van een leverancier – van dure diners tot tickets voor exclusieve evenementen. Op zichzelf misschien onschuldig, ware het niet dat deze medewerker verantwoordelijk is voor het toewijzen van transportcontracten. Bij nader onderzoek komt aan het licht dat hij ook een nevenfunctie heeft bij een startup die actief is in dezelfde markt. De startup blijkt gebruik te maken van concurrentiegevoelige data, die mogelijk via informele gesprekken met de medewerker zijn verkregen. 

Maar dat is niet alles. Uit diepgaander onderzoek blijkt dat de medewerker niet alleen cadeaus aannam, maar ook subtiel druk uitoefende op collega’s om “realistisch” om te gaan met de prestatiecijfers. Kleine aanpassingen in de rapportages, net genoeg om de bonustargets te halen. Collega’s hadden wel signalen opgemerkt, maar zwegen – “het was niet hun afdeling” en “je wilt ook geen lastige werksfeer creëren”. Wat begon als een eenvoudige melding over cadeaus, onthult al snel een web van belangenverstrengeling, een cultuur van wegkijken, en subtiele data-manipulatie om prestatiebonussen te rechtvaardigen. 

Deze casus is geen uitzondering. Het illustreert precies de trends die we eerder noemden en illustreert hoe integriteitsrisico’s zich vaak niet als dusdanig manifesteren, maar sluipenderwijs groeien in de dagelijkse routine van organisaties. Het toont ook aan hoe verschillende risico’s – belangenverstrengeling, nevenactiviteiten, groepsdruk en datafraude – met elkaar verweven kunnen zijn. 

In een onderzoek naar een dergelijke situatie wordt gekeken naar besluitvorming rond de aanbestedingen, documentatie over offertes en gunningsbesluiten, e-mail- of agendacontacten en publiek beschikbare informatie over nevenfuncties. Deze verschillende bronnen worden naast elkaar gelegd om drie kernvragen te beantwoorden: 

  1. Waren er persoonlijke of zakelijke belangen die een rol hadden kunnen spelen?
  2. Waren die belangen gemeld of transparant gemaakt, bijvoorbeeld via een nevenfunctieregister of integriteitsverklaring?
  3. Is er aantoonbaar anders besloten dan redelijkerwijs verwacht mocht worden, gegeven prijs, kwaliteit en beleid? 

Uitkomsten zijn zelden zwart-wit. Soms blijkt dat de formele regels niet zijn overtreden, maar dat er wel een schijn van belangenverstrengeling is ontstaan die vraagt om duidelijke afspraken of aanpassing van rollen. In andere gevallen komt naar voren dat beleid bewust is omzeild of informatie is achtergehouden, en is de normschending duidelijker. 

Indicatoren uit de praktijk 

Naast bovenstaande casus komen in integriteitsonderzoeken steeds weer andere typen kwesties terug. Enkele van de bekende boosdoeners: 

  • De cultuur van ‘niet vragen, niet vertellen’Misschien wel het meest schadelijke risico is de cultuur waarin medewerkers liever wegkijken dan vragen stellen. Vaak durven veel medewerkers nog steeds niet te spreken uit angst voor repercussies of omdat ze niet willen ‘zeuren’. Een typisch voorbeeld: een medewerker die signalen van fraude opmerkt, maar zwijgt omdat “het niet zijn afdeling is.” 
  • Datafraude: De stille saboteur: In de jacht naar targets en bonussen kan de verleiding groot zijn om cijfers net iets mooier voor te stellen dan ze zijn. Bij een financiële instelling in Rotterdam bleek een teamleider maandenlang klanttevredenheidscijfers te hebben bijgesteld. “Iedereen doet het,” was zijn verdediging. Maar de gevolgen waren te merken: het vertrouwen van klanten en toezichthouders was gekelderd, en de organisatie moest een dure hersteloperatie uitvoeren. Met de opkomst van AI-tools die data-analyses uitvoeren, wordt dit risico alleen maar groter. Wie controleert de controller? 
  • Omgangsvormen en machtsverhoudingen: Meldingen over grensoverschrijdend gedrag, ongepaste opmerkingen of druk vanuit leidinggevenden vallen formeel ook onder integriteit. Hier ontbreekt vaak een financiële component; het draait om sociale veiligheid, machtsgebruik en de vraag of gedrag past binnen de gedragscode en professionele normen. Onderzoek richt zich dan vooral op patronen: is dit incidenteel, of al jaren bekend? 
  • Omgang met vertrouwelijke informatie: Een oud-medewerker wordt ervan beschuldigd vertrouwelijke documenten te hebben meegenomen naar een nieuwe werkgever. De vraag is of geheimhoudingsafspraken zijn geschonden, of bestanden ongeoorloofd zijn gekopieerd en of gevoelige informatie ergens is opgedoken waar dat niet hoort. Ook hier kruisen juridische, technische en gedragsmatige vragen elkaar. 

Deze voorbeelden laten zien dat integriteitsonderzoek niet alleen maar over “regels” gaat. Het gaat over vertrouwen, voorbeeldgedrag en de geloofwaardigheid van afspraken over integriteit. Naast deze meer algemeen bekende integriteitskwesties willen we een aantal onderschatte kwesties benoemen. 

De onderschatte risico’s: Wat u niet ziet, maar wel tegenaan kunt lopen 

Een aantal minder bekende risico’s maar ons inziens wel degelijk noemenswaardig: 

  • Loyaliteitsconflicten: Het is een groeiend fenomeen: medewerkers die naast hun baan een eigen bedrijfje starten, advieswerk doen, of zelfs een bijbaan hebben bij een concurrent. Op zichzelf niet verkeerd, maar wel riskant als er sprake is van vertrouwelijke informatie of belangenconflicten. Denk aan de IT-medewerker die in zijn vrije tijd een app ontwikkelt met data uit zijn hoofdbaan, of de inkoper die ‘toevallig’ ook voor een concurrent werkt. Organisaties monitoren dit vaak onvoldoende, terwijl de gevolgen groot kunnen zijn: van datalekken tot juridische claims. 
  • Groepsdruk en ‘groupthink’: Beslissingen worden (doorgaans) in teams genomen, maar wat als kritische stemmen worden genegeerd? Bij een tech-startup in Amsterdam leidde de druk om snel te groeien ertoe dat ethische bezwaren tegen een nieuwe dataverkoopstrategie werden genegeerd. Het resultaat: een schending van de AVG en een boete van de Autoriteit Persoonsgegevens. Groepsdruk kan leiden tot tunnelvisie, waarbij alternatieven en risico’s niet meer worden overwogen. Een simpele, maar effectieve oplossing? Benoem tijdens vergaderingen bewust een ‘devil’s advocate’ die kritische vragen stelt. 
  • Greenwashing: De valkuil van maatschappelijke claims: Duurzaamheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn hot. Maar wat als de werkelijkheid achterblijft bij de beloftes? Een kledingmerk dat claimt ‘100% circulair’ te zijn, maar bij nader inzien slechts 10% gerecycled materiaal gebruikt, loopt niet alleen reputatieschade op, maar ook het risico op juridische stappen. Externe verificatie van duurzaamheidsrapportages is geen overbodige luxe meer, maar een noodzaak. 

Deze voorbeelden laten zien dat integriteitsrisico’s niet altijd zichtbaar zijn, maar wel degelijk impact hebben. Ze ontstaan vaak in grijze gebieden, waar regels en ethiek elkaar raken. Het gevaar is dat organisaties zich richten op de bekende risico’s, terwijl de echte dreigingen zich juist afspelen in de dagelijkse praktijk – in informele afspraken, onuitgesproken verwachtingen en goedbedoelde maar ondoordachte beslissingen.  

Het goede nieuws? Door bewust stil te staan bij deze onderschatte risico’s, en door een cultuur te creëren waarin medewerkers zich veilig voelen om vragen te stellen, kunt u veel problemen voorkomen. Een open dialoog, regelmatige risico-inventarisaties en duidelijke afspraken over nevenactiviteiten, besluitvorming en communicatie zijn essentieel. Want integriteit is geen kwestie van geluk, maar van alertheid en actie. Hoe eerder u deze risico’s herkent, hoe beter u ze kunt beheersen – voordat ze escaleren. 

Steeds meer aandacht voor Integriteit 

In recente rapporten en governance codes die in ons werk voorbijkomen valt op dat integriteit steeds vaker gekoppeld wordt aan concrete normen, toetsingen en handreikingen. Voorbeelden zijn: 

  • Aangescherpte gedragscodes voor bestuurders en commissarissen, met nadruk op transparante nevenfuncties en belangenregistratie; 
  • Lokale en sectorale gedragscodes (bijvoorbeeld voor gemeenten, onderwijs, woningcorporaties) waarin expliciet is vastgelegd hoe wordt omgegaan met geschenken, nevenfuncties en besluitvorming bij twijfelgevallen; 
  • Handreikingen voor veilige meldprocedures (klokkenluiders) en onafhankelijke afhandeling, juist om te zorgen dat melders zich beschermd weten en onderzoek niet “in de lijn” blijft hangen. 

Integriteitsonderzoek sluit daar direct op aan: het is het instrument waarmee wordt nagegaan of deze normen in de praktijk ook echt worden geleefd. 

Uitnodiging tot consultatie 

We kunnen ons voorstellen dat u na het lezen van dit artikel vragen heeft en graag van gedachte wilt wisselen over bepaalde onderwerpen. Of dat u met een concrete casus zit waarover u van gedachte wilt wisselen. We nodigen u uit om vrijblijvend contact met ons op te nemen om kennis te maken met u (en/of uw casus). Onze contactgegevens vindt u op onze website. 

Vooruitblik naar het vierde artikel 

De risico’s die we bespraken – van loyaliteitsconflicten tot groepsdruk – blijven vaak verborgen tot iemand de moed heeft om ze te melden. In het vierde artikel van onze reeks duiken we daarom dieper in klokkenluidersonderzoeken: hoe ga je om met meldingen van binnenuit (of buitenaf)? Hoe zorg je dat medewerkers wél spreken? En hoe vertaal je een melding en de resultaten van het onderzoek naar échte verandering? 

Kom in contact

Dennis van der Meer | +31618948848 | dennis.van.der.meer@compliancechamps.com

Boy Custers | +31649935735 | boy.custers@compliancechamps.com

 

Lees hier meer artikelen.

Het tegengaan van fragmentatie en het stimuleren van harmonisatie door EU-toezicht op crypto-assetdiensten

Crypto-assetactiviteiten zijn de afgelopen jaren snel gegroeid binnen de Europese Unie (EU). Deze groei heeft geleid tot een toename van het risico op witwassen en terrorismefinanciering (ML/TF), met name in situaties waarin het regelgevend toezicht gefragmenteerd of onvolledig was. De Europese Bankautoriteit (EBA) publiceerde in het najaar van 2025 een rapport waarin werd toegelicht hoe bepaalde crypto-assetbedrijven kwetsbaarheden hebben gecreëerd en hoe de Markets in Crypto-Assets Regulation (MiCA) en het Europees anti-witwaskader (AMLR en AMLD6) beogen het toezicht te verbeteren¹. Dit artikel biedt een beknopt overzicht van de belangrijkste bevindingen uit dit rapport. 

Toezichthouders constateerden dat sommige cryptobedrijven zonder vergunning opereerden, tussen EU-lidstaten verhuisden om toezicht te ontwijken, of misbruik maakten van wettelijke vrijstellingen. Veel van deze ondernemingen beschikten over zwakke systemen voor klantenonderzoek, het detecteren van verdachte transacties of het naleven van sanctieregimes. Daarnaast maakten sommige partijen gebruik van complexe eigendomsstructuren of samenwerkingsverbanden met partnerbedrijven om actief te blijven, ondanks eerdere toezichtsmaatregelen. Dit gedrag beperkte het vermogen van autoriteiten om risico’s effectief te beheersen en creëerde ruimte voor witwassen en terrorismefinanciering. 

MiCA en de nieuwe EU-anti-witwasregelgeving introduceren strengere waarborgen om deze problemen aan te pakken. Alle aanbieders van crypto-assetdiensten (Crypto-Asset Service Providers, CASPs) moeten voortaan één EU-brede vergunning aanvragen op basis van geharmoniseerde regels. Hiermee worden verschillen tussen lidstaten weggenomen en wordt voorkomen dat ondernemingen zich vestigen in jurisdicties met minder streng toezicht. Dienstverleners moeten aantonen dat zij beschikken over een transparante eigendomsstructuur, een solide interne governance en betrouwbare systemen voor klanten- en transactiemonitoring voordat zij hun activiteiten mogen starten. De AML-verordening en AMLD6 versterken daarnaast de samenwerking tussen nationale toezichthouders, vergroten de transparantie over uiteindelijk belanghebbenden en vereisen meer consistente risicobeoordelingen. De toekomstige Europese Anti-Witwasautoriteit (AMLA) zal bovendien direct toezicht houden op high-risk bedrijven, wat een extra dimensie aan toezicht toevoegt. 

Deze maatregelen dragen bij aan een veiliger en transparanter kader voor crypto-activiteiten binnen de EU. De belangrijkste les uit recente casussen is dat sterk, gecoördineerd toezicht en consistente regels in alle lidstaten noodzakelijk zijn om financiële-criminaliteitsrisico’s te beperken. Duidelijke standaarden, tijdige informatie-uitwisseling en strikte handhaving geven toezichthouders de middelen om problemen vroegtijdig te signaleren en ervoor te zorgen dat alleen integere en verantwoordelijke ondernemingen toegang krijgen tot actief worden en/of blijven binnen de Europese markt. De EBA formuleert negen aandachtsgebieden die moeten worden ingericht om het vergunningsproces daadwerkelijk als ‘poortwachter’ te laten functioneren, om mazen in de regelgeving te dichten en om sterke samenwerkingsmechanismen binnen de EU op te bouwen. 

Hoewel een deel van de taken van de EBA tegen het einde van 2025 zal worden overgedragen aan AMLA, zal de EBA onder haar MiCA-mandaat blijven bijdragen aan het bevorderen van toezichtconvergentie en het vroegtijdig signaleren van risico’s. 

 

Zoekt u ondersteuning bij het versterken van uw Crypto Compliance Framework?

Neem contact met ons op via: info@compliancechamps.com

Lees hier meer artikelen.